Publicité ▲
|
Résumé des résultats
traductions
synonymes
réseau sémantique
anagrammes
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
|
aanranden, aanvallen, afvuren op, attaqueren, belagen, belegeren, bestoken, bestormen, drommen, elkaar verdringen, omstuwen, omzwermen, storten, toestromen, toevloeien, van alle kanten aanvallen, zich verdringen
↘ assaillant, assaut ≠ défendre
commencer le combat, attaquer qqch — overvallen; attaqueren; bestoken; bestormen; aanvallen[Classe]
attaque rapide et inattendue[Thème]
assaillir (v. tr.)
[V+comp]
faire du mal[Classe]
demander — (aanvraag; aanzoek; navraag; verzoek; eis), (aanzoeken; vragen; aanvragen), (vraag)[Thème]
causer du désagrément[Classe]
demander[DomaineCollocation]
assaillir (v. tr.)
[figuré]
[V+qqn--de+comp • V+qqn--par+comp]
attaquant — aanvaller; aanvalster[Classe]
military (en)[Domaine]
ViolentContest (en)[Domaine]
law (en)[Domaine]
Attacking (en)[Domaine]
Attack (en)[Domaine]
opération, opération militaire — gevechtshandeling, militaire operatie, operatie - entreprise, société — akte, bedrijf, bedrijfsorganisatie, firma, handel, handelsonderneming, handelszaak, huis - ante, contrevenant, délinquant, malfaiteur, malfaitrice — bedrijver, boosdoener, boosdoenster, dader, overtreder, pleger, schuldige - agir, entrer en action, prendre des mesures — doen, handelen, optreden, tussenkomen - délayer, empêcher, entraver, prévenir — afwenden, beletten, hinderen , in de weg staan, letten, tegenhouden, verhinderen , verhoeden, verletten, vermijden, vertragen, voorkomen[Hyper.]
combat, combat de boxe — bestrijding, bokspartij, bokswedstrijd, wedstrijd - bataille, lutte — bestrijding, duel, gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, tweegevecht, tweekamp, worsteling - bataille, combat — aanvaring, actie, bestrijding, botsing, collisie, conflict, conflictsituatie, confrontatie, gevecht, kamp, slag, strijd, treffen, veldslag, worsteling - bagarre, baston, bataille, combat, rif, riffe, riffle — bokswedstrijd, gevecht, handgemeen, kamp, kloppartij, knokpartij, strijd, treffen, vechtpartij, worsteling - avion de chasse — gevechtstoestel, gevechtsvliegtuig, jachtvliegtuig, jager - belligérant, combattant, combattante — combattant, kampvechter, oorlogspartij, strijder, strijdster, vechter, vechtster - agresser, attaquer — aanvallen - assaillir, attaquer — aanranden, aanvallen, attaqueren, storten - attaquer — aantasten - attaquer, s'attaquer à — aanpakken, een begin maken met, in ernst beginnen met - attaquer verbalement — bestormen - agresser, attaquer — aanvallen, attaqueren, storten, te lijf gaan - agression — vijandigheid - assaut — aanranden, attaque - aggression (en) - agresseur, agresseuse, attaquant — aanrander, aanvaller, agressor, zedendelinquent - agressif — agressief - défense, équipe défendante, équipe défensive — dekking, verdedigingsmiddel - défensif — defensief, verdedigend - defendable, defensible (en)[Dérivé]
concurrencer, rivaliser — concurreren, mededingen, meedingen, meten, rivaliseren, rivalizeren, vechten, wedijveren - forces armées, forces militaires, militaire — krijgsmacht, legermacht, militair, regeringstroepen, strijdkrachten, troepenmacht - lutter, se battre, se débattre — bestrijden, bevechten, kampen, knokken, matten, strijden, tegengaan, vechten[Domaine]
vulnerable (en)[Similaire]
assaut — aanranden, attaque - agresseur, agresseuse, attaquant — aanrander, aanvaller, agressor, zedendelinquent - non défendu — onverdedigd[Dérivé]
agresser, attaquer — aanvallen[Domaine]
assaillir (v. tr.)
combattre[Classe]
prendre possession d'un lieu[Classe]
être autour d'une chose[Classe]
lutter, se battre, se débattre — bestrijden, bevechten, kampen, knokken, matten, strijden, tegengaan, vechten - adversaire — tegenstander[Hyper.]
assaut — aanranden, attaque - agresseur, agresseuse, attaquant — aanrander, aanvaller, agressor, zedendelinquent - non défendu — onverdedigd - assaillir, assiéger — belagen, belegeren, bestoken, bestormen[Dérivé]
agresser, attaquer — aanvallen[Domaine]
assiéger — belegeren; belagen; bestoken; bestormen[ClasseHyper.]
assaillir, attaquer — aanranden, aanvallen, attaqueren, storten[Hyper.]
assiégeant — belegeraar[Dérivé]
assaillir (verbe)
faire bouger[Classe...]
venir qqpart, se diriger vers un lieu, approcher[Classe...]
agiter (chose)[Thème]
venir, arriver en un lieu en nombre — (samenstromen; toestromen)[Thème]
factotum (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
s'assembler, se rassembler, se regrouper, se rencontrer, se réunir — aantreffen, ontmoeten, tegenkomen, treffen, vergaderen - se rassembler — samenbrengen, samenkomen - accumulation, amoncellement, collection, recueil, sélection — arsenaal, collectie, kollektie, opeenhoping, opeenstapeling, verzameling - accumulation, amoncellement, entassement - attroupement, rassemblement — bijeenkomst, bijeenzijn, samenkomst, samenzijn - grande quantité indéfinie[Hyper.]
foule — drom, heer, heir, horde, leger, legerschaar, legioen, massa, menigte, mensenmassa, mensenmenigte, mensenzee, meute, myriade, schaar, schare, sleep, stoet, volk - foule, masses - accumuler, conglomérer, s'accumuler, s'amasser, s'empiler — accumuleren, akkumuleren, zich opeenhopen, zich opeenstapelen, zich ophopen, zich opstapelen - empiler — opstapelen - empiler, entasser — accumuleren, cumuleren, opeenhopen, ophopen, opstapelen, vermenigvuldigen - assaillir, bousculer, s'entasser — drommen, elkaar verdringen, omstuwen, omzwermen, toestromen, toevloeien, zich verdringen - agglomerate (en) - agglomératif - comble — opgetast, volgehoopt - heap (en) - bourrer, s'entasser — inproppen, mesten, proppen, vetmesten - heap (en) - abondant, copieux — overvloedig[Dérivé]
remuer vivement en divers sens[Classe]
venir, arriver en un lieu en gde qté — samenstromen; toestromen[Classe]
venir qqpart, se diriger vers un lieu[Classe...]
s'attrouper, se grouper — zich verdringen[Hyper.]
pile — berg, hoopje, meute, stapel, stapels, tas - affluence, attroupement, foule — menigte, oploop, stationshal, volksoploop - cohue, la populace, populace — gepeupel - lot, paquet, tas — bende, boel, bom, bulk, bups, hoop, instroom, kluit, kwak, lading, macht, massa, partij, sandwich, schep, schuif, sjees, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zootje, zwik[Dérivé]
assaillir (verbe)