Publicité ▲
|
Résumé des résultats
traductions
synonymes
réseau sémantique
anagrammes
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
|
aanwenden, bedienen, behandelen, bezigen, doorvoeren, gebruiken, hanteren, implementeren, introduceren, invoeren, nemen, omgaan, overgaan, overschakelen, pakken, toepassen, uitoefenen, verwerken, wijden
être utilisé pour qqch[Classe]
utiliser (v. pron.)
[se+V • se+V comme + attribut]
usage de quelque chose[Classe]
ce qui appartient à un système et y agit favorablement[ClasseParExt.]
caractère de ce qui est utile — nut; utiliteit; nuttigheid; bruikbaarheid[ClasseHyper.]
disponible[Classe]
utile, simple et concret[Classe]
utiliser — (verbruikster; gebruiker; gebruikster), (in praktijk brengen), (uit de tijd)[Thème]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
uses (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
person (en)[Domaine]
agent (en)[Domaine]
realization (en)[Domaine]
activité, occupation — actief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - emploi, utilisation — arbeidsproces, gebruikmaking, utilisatie - caractéristique, propriété, qualité — feature, hoedanigheid, kenmerk, kenteken, propriëteit - être, être humain, homme, humain, humaine, individu, mortail, mortel, mortelle, personne physique, portail mobile, portail nomade, portail sans fil — eenling, enkeling, figuur, iemand, individu, mens, particulier, persoon, sterveling, stervelinge, zelfstandige, ziel - consommateur, usager, utilisateur, utilisatrice — gebruiker, verbruiker - effectuer, faire — afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - concerner, se rapporter à — aanbelangen, aangaan, betreffen, bewegen, gaan, gelden, handelen, raken, schelen, slaan, terugslaan, uitmaken, verrekken, verrotten, verwijzen, zich bezig houden met[Hyper.]
consommer — bedienen - exercer — doen gelden, oefenen, uitoefenen - exercer, pratiquer — beoefenen, praktizeren, uitoefenen, zich oefenen in - s'appliquer - appliquer, pratiquer, se servir de, utiliser — gebruiken, praktizeren - blootstaan - utile, utilitaire — nuttig, utilitair - employable — bruikbaar - utilitaire — utilitair - useless (en) - habitude, pratique — gebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, praktijk, praxis, usance, usantie, usus - coutume, emploi, habitude, mœurs, tradition, usage, utilisation — gebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, overlevering, praktijk, traditie, uit gewoonte, usance, usantie, usus - activités, exercice, pratique - application — applicatie, gebruikmaking, toepassing - emploi, utilité — toepassingsmogelijkheid - applicable — toepasselijk - toepasselijk[Dérivé]
utile — dienstig, nuttig, zinvol[Propriété~]
disposable (en) - pratique — praktisch - utilisable — bruikbaar[Similaire]
emploi, utilisation — arbeidsproces, gebruikmaking, utilisatie - application — applicatie, toepassing - utilité — bruikbaarheid, nut, nuttigheid, utiliteit - consommateur, usager, utilisateur, utilisatrice — gebruiker, verbruiker - machine portative Crown-Zellerbach - available, usable, useable (en) - toepasselijk - en état de marche, opérationnel — bruikbaar, gebruiksklaar, in orde, operationeel - utilisable - exploitable[Dérivé]
appliquer, pratiquer, se servir de, utiliser — gebruiken, praktizeren[Domaine]
utiliser (v. tr.)
[V+comp • V+comp--comme+attrib(comp) • V+comp--pour+comp]
induire en erreur[Classe]
utiliser (v. tr.)
[V+qqn]
utiliser[Classe]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
agent (en)[Domaine]
Position (en)[Domaine]
uses (en)[Domaine]
hasPurpose (en)[Domaine]
realization (en)[Domaine]
agir, entrer en action, prendre des mesures — doen, handelen, optreden, tussenkomen - activité, occupation — actief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - habitude, pratique — gebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, praktijk, praxis, usance, usantie, usus - survival (en) - emploi, utilisation — arbeidsproces, gebruikmaking, utilisatie - utilité — bruikbaarheid, nut, nuttigheid, utiliteit[Hyper.]
effecter, effector (en) - conséquence, conséquence finale, effectuer, effet, résultat, séquelles — effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, resultaat, uitkomst, uitslag, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - appliquer, pratiquer, se servir de, utiliser — gebruiken, praktizeren - pattern (en) - pratique — praktisch - pragmatique, pratique - use (en) - accoutumé, habitué, habituel, traditionnel — gebruikelijk, gewend, gewone, gewoon, gewoonlijke, vast - exercer, pratiquer — beoefenen, praktizeren, uitoefenen, zich oefenen in - s'appliquer - appliquer, employer, exercer, faire usage de, implémenter, utiliser — aanwenden, bedienen, behandelen, bezigen, doorvoeren, hanteren, implementeren, introduceren, invoeren, nemen, omgaan, overgaan, overschakelen, pakken, toepassen, uitoefenen, verwerken, wijden - blootstaan - application — applicatie, gebruikmaking, toepassing - consommateur, usager, utilisateur, utilisatrice — gebruiker, verbruiker - machine portative Crown-Zellerbach - available, usable, useable (en) - toepasselijk - en état de marche, opérationnel — bruikbaar, gebruiksklaar, in orde, operationeel - utilisable — bruikbaar - exploitable[Dérivé]
approprié[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
realization (en)[Domaine]
effectuer, faire — afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten[Hyper.]
habitude, pratique — gebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, praktijk, praxis, usance, usantie, usus - coutume, emploi, mœurs, tradition, usage, utilisation — overlevering, traditie, uit gewoonte - activités, exercice - application — applicatie, gebruikmaking, toepassing - utilité — toepassingsmogelijkheid - applicable — toepasselijk[Dérivé]
utiliser (verbe)