Publicité ▼

Dernières recherches dans le dictionnaire :

BIEN · bois d if · bisaieule · BOUAYE · amour ·
2201 visiteurs en ligne

calculé en 0.297s

   Publicité 

Ecran ▼    Interface ▼    Favoris ▼   

 » 

Choisissez vos langues source et cible.

Résumé des résultats
 traductions   synonymes   réseau sémantique   anagrammes   mots-croisés   exemple   Ebay   catalogue 
 

traductions

 

voir aussi

 

locutions

 

dictionnaire analogique


usage de quelque chose[Classe]

ce qui appartient à un système et y agit favorablement[ClasseParExt.]

caractère de ce qui est utilenut; utiliteit; nuttigheid; bruikbaarheid[ClasseHyper.]

disponible[Classe]

utile, simple et concret[Classe]

utiliser(verbruikster; gebruiker; gebruikster), (in praktijk brengen), (uit de tijd)[Thème]

racine ILC[Domaine]

racine SUMO[Domaine]

factotum (en)[Domaine]

uses (en)[Domaine]

SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]

person (en)[Domaine]

agent (en)[Domaine]

realization (en)[Domaine]

activité, occupationactief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - emploi, utilisationarbeidsproces, gebruikmaking, utilisatie - caractéristique, propriété, qualitéfeature, hoedanigheid, kenmerk, kenteken, propriëteit - être, être humain, homme, humain, humaine, individu, mortail, mortel, mortelle, personne physique, portail mobile, portail nomade, portail sans fileenling, enkeling, figuur, iemand, individu, mens, particulier, persoon, sterveling, stervelinge, zelfstandige, ziel - consommateur, usager, utilisateur, utilisatricegebruiker, verbruiker - effectuer, faireafleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - concerner, se rapporter àaanbelangen, aangaan, betreffen, bewegen, gaan, gelden, handelen, raken, schelen, slaan, terugslaan, uitmaken, verrekken, verrotten, verwijzen, zich bezig houden met[Hyper.]

appliquer, employer, exercer, faire usage de, implémenter, utiliseraanwenden, bedienen, behandelen, bezigen, doorvoeren, hanteren, implementeren, introduceren, invoeren, nemen, omgaan, overgaan, overschakelen, pakken, toepassen, uitoefenen, verwerken, wijden[Nominalisation]

consommerbedienen - exercerdoen gelden, oefenen, uitoefenen - exercer, pratiquerbeoefenen, praktizeren, uitoefenen, zich oefenen in - s'appliquer - appliquer, pratiquer, se servir de, utilisergebruiken, praktizeren - blootstaan - utile, utilitairenuttig, utilitair - employablebruikbaar - utilitaireutilitair - useless (en) - habitude, pratiquegebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, praktijk, praxis, usance, usantie, usus - coutume, emploi, habitude, mœurs, tradition, usage, utilisationgebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, overlevering, praktijk, traditie, uit gewoonte, usance, usantie, usus - activités, exercice, pratique - applicationapplicatie, gebruikmaking, toepassing - emploi, utilitétoepassingsmogelijkheid - applicabletoepasselijk - toepasselijk[Dérivé]

utiledienstig, nuttig, zinvol[Propriété~]

disposable (en) - pratiquepraktisch - utilisablebruikbaar[Similaire]

inutiliténutteloosheid, onbruikbaarheid, overbodigheid, vergeefsheid, vruchteloosheid, zinloosheid[Ant.]

utiliser[Classe]

factotum (en)[Domaine]

realization (en)[Domaine]

uses (en)[Domaine]

utiliser (v. tr.) [V+comp • V+comp--comme+attrib(comp) • V+comp--pour+comp]



traditiongewoonte; gebruik; geplogenheid; mos; overlevering; praktijk; traditie; usance; usantie; usus; uit gewoonte; overgeleverde kennis[ClasseHyper.]

utiliser[Classe]

racine ILC[Domaine]

racine SUMO[Domaine]

factotum (en)[Domaine]

agent (en)[Domaine]

Position (en)[Domaine]

uses (en)[Domaine]

hasPurpose (en)[Domaine]

realization (en)[Domaine]

agir, entrer en action, prendre des mesuresdoen, handelen, optreden, tussenkomen - activité, occupationactief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - habitude, pratiquegebruik, geplogenheid, gewoonte, mos, praktijk, praxis, usance, usantie, usus - survival (en) - emploi, utilisationarbeidsproces, gebruikmaking, utilisatie - utilitébruikbaarheid, nut, nuttigheid, utiliteit[Hyper.]

effecter, effector (en) - conséquence, conséquence finale, effectuer, effet, résultat, séquelleseffect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, resultaat, uitkomst, uitslag, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - appliquer, pratiquer, se servir de, utilisergebruiken, praktizeren - pattern (en) - pratiquepraktisch - pragmatique, pratique - use (en) - accoutumé, habitué, habituel, traditionnelgebruikelijk, gewend, gewone, gewoon, gewoonlijke, vast - exercer, pratiquerbeoefenen, praktizeren, uitoefenen, zich oefenen in - s'appliquer - appliquer, employer, exercer, faire usage de, implémenter, utiliseraanwenden, bedienen, behandelen, bezigen, doorvoeren, hanteren, implementeren, introduceren, invoeren, nemen, omgaan, overgaan, overschakelen, pakken, toepassen, uitoefenen, verwerken, wijden - blootstaan - applicationapplicatie, gebruikmaking, toepassing - consommateur, usager, utilisateur, utilisatricegebruiker, verbruiker - machine portative Crown-Zellerbach - available, usable, useable (en) - toepasselijk - en état de marche, opérationnelbruikbaar, gebruiksklaar, in orde, operationeel - utilisablebruikbaar - exploitable[Dérivé]

approprié[Similaire]

s'exercerbekleden, betreffen, gelden, kloppen, opgaan, strekken, uitkomen, uitstrekken, valideren, vigeren[Cause]

utiliser (verbe)


Toutes les traductions de UTILISASSENT

   Publicité ▼