Publicité ▲
|
Résumé des résultats
traductions
réseau sémantique
anagrammes
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
|
doen zinken, haastig rennen, haast maken, ijlen, jachten, opschieten, opschieten!, rennen, wegstuiven, zich haasten, zich reppen
bespoedigen, haasten, jachten, jagen, opschieten, overhaasten, voortjagen, voortmaken
doen zinken, haastig rennen, haast maken, ijlen, opschieten!, rennen, wegstuiven, zich haasten, zich reppen
bespoedigen, haasten, jachten, jagen, opschieten, overhaasten, voortjagen, voortmaken
accomplir une action[Classe...]
factotum (en)[Domaine]
Running (en)[Domaine]
aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser - précipitation, ruée — drukte, gehaast, gejakker, haast, spoed[Hyper.]
course — draven, galopperen, hardlopen, het hardlopen, hollen, rennen - course — wedloop - coureur, coureur à pied — hardloper, loper - bousculer pour avoir qqch., se précipiter — zich verdringen - avancer rapidement, courir à pas précipités, courir précipitament, dépêcher, détaler, faire vite, grouiller, magner, manier, manier le popotin, se dépêcher, se grouiller, se précipiter, se remuer, se sauver — haastig rennen, haast maken, ijlen, jachten, opschieten, opschieten!, rennen, wegstuiven, zich haasten, zich reppen[Dérivé]
courir — rennen[Domaine]
courir, tenir l'affiche — draven, galopperen, hardlopen, hollen, uitlopen[Hyper.]
bousculade, galopade, ruée — gedraaf, gedrang, gehol, gejaag, klimpartij, motorcross[Dérivé]
dépêcher (v. pron.)
[se+V]