Publicité ▲
|
Résumé des résultats
traductions
synonymes
réseau sémantique
anagrammes
mots-croisés
conjugaison
exemple
Ebay
catalogue
|
qui parle beaucoup[Classe]
jacassement, jacasserie[QuiCAuse]
jacasseur (adj.)
personne qui parle beaucoup[Classe]
bavardage[Classe]
parler beaucoup (avec qqn)[Classe]
excessif et trop[Caract.]
person (en)[Domaine]
SocialRole (en)[Domaine]
articulateur - communicateur, communicatrice — communicator[Hyper.]
avoir une conversation, donner un cours/une leçon, faire une conférence — een lezing geven - dire, parler, verbaliser — een toespraak houden, kletsen, praten, reppen, spreken - bavarder, parler — overleggen, praten, spreken - sornettes — onzin - du vent, rhétorique — gebakken lucht - bredouillement — gebrabbel, gekwebbel, gesnater - baliverne, bêtise, loufoquerie, sottise — domheid, dommigheid, dwaasheid, kolder, onzin, stomheid, stommigheid, stommiteit - bavardage, commérage, potins, racontars — bakerpraatje, kletscollege, kletspraatje - afkletsen, gekakel, gekwebbel, gekwetter, gesnater - jacassement — gebabbel, kinderpraat - bavard, commère, jacasseur, moulin à paroles, pie bavarde — keuvelaar - dénonciateur, indicateur, indicatrice — aanbrenger, aangever, klikker, klikspaan, sycofant, verklikker, verlinker - prattler (en) - twaddler (en)[Dérivé]
personne parlant beaucoup ou à tort[Classe]
jacassement, jacasserie[PersonneQuiFait]
jacasseur (n. m.)
Famille des Corvidés[ClasseTaxo.]
parler beaucoup (avec qqn)[Classe]
dire des choses fausses, des bêtises[Classe]
bavarder (parler beaucoup avec qqn)[Classe]
prononcer un discours — een praatje houden; een toespraak houden; speechen; spreken; een redevoering houden; een speech houden[ClasseParExt.]
exprimer (la pensée) d'une façon monotone[Classe]
avoir des difficultés à parler[Classe]
pie — (ekster)[Thème]
beaucoup, très, en grande quantité — (veel)[Caract.]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
person (en)[Domaine]
SocialRole (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Communication (en)[Domaine]
articulateur - communicateur, communicatrice — communicator - bavarder, bredouiller, causer, jacasser, jaser, papoter — bazelen, beuzelen, brabbelen, dazen, denonceren, fantaseren, ijlen, kletsen, kwebbelen, leuteren, lullen, o.h.-en, ohaën, ouwehoeren, overbrieven, raaskallen, razen, verklikken, wauwelen, zwammen, zwetsen - converser, parler — converseren, konverseren[Hyper.]
avoir une conversation, donner un cours/une leçon, faire une conférence — een lezing geven - dire, parler, verbaliser — een toespraak houden, kletsen, praten, reppen, spreken - bavarder, parler — overleggen, praten, spreken - sornettes — onzin - du vent, rhétorique — gebakken lucht - bredouillement — gebrabbel, gekwebbel, gesnater - baliverne, bêtise, loufoquerie, sottise — domheid, dommigheid, dwaasheid, kolder, onzin, stomheid, stommigheid, stommiteit - bavardage, commérage, potins, racontars — bakerpraatje, kletscollege, kletspraatje - afkletsen, gekakel, gekwebbel, gekwetter, gesnater - jacassement — gebabbel, kinderpraat - bavard, commère, jacasseur, moulin à paroles, pie bavarde — keuvelaar - dénonciateur, indicateur, indicatrice — aanbrenger, aangever, klikker, klikspaan, sycofant, verklikker, verlinker - prattler (en) - twaddler (en) - chatter, chattering (en) - clatissement — gekabbel, geklets - bêtises, blablabla — kletskous - causette — babbeltje, gepraat, kout, praatje - visiteur, visiteuse — bezoeker, dwaalgast, gast, gastspeler, iemand die belt, logé, logeergast, slaper, zwerfgast, zwerfvogel - emphase — bombast, fustein, gezwollenheid, hoogdravendheid, lyrisme, pathos, retoriek - harangue — donderpreek, donderspeech - divagation — wagenladder - baragouineur — babbelaar, babbelaarster, babbelkous, kakel, klep, klepzeiker, klessebes, klets, kletser, kletskont, kletskop, kletskous, kletsmajoor, kletsmeier, kletstante, kwebbel, kwek, leuteraar, leuterkous, lulmeier, ratel, rebbel, teut, teutebel, theetante, wauwel, wauwelaar - déclamateur — hoogdravend spreker[Dérivé]
bavarder, bredouiller, causer, jacasser, jaser, papoter — bazelen, beuzelen, brabbelen, dazen, denonceren, fantaseren, ijlen, kletsen, kwebbelen, leuteren, lullen, o.h.-en, ohaën, ouwehoeren, overbrieven, raaskallen, razen, verklikken, wauwelen, zwammen, zwetsen - castañetear (es) - bafouiller, dire des bêtises, divaguer, radoter — doordraven, doorslaan, malen, onzin uitslaan, wartaal uitslaan - babiller, caqueter, commérer — babbelen, kakelen, keuvelen, kleppen, klessebessen, kletsmeieren, kouten, kwekkebekken, kwekken, kwetteren, parlevinken, praten, ratelen, rebbelen, rellen, roddelen, snappen, snateren, tateren - débiter, fulminer — lallen, tieren - gevelemek (tr)[Dérivé]
jacasseur (n. m.)