Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
↘ opvolger, opvolgster ≠ antecederen, precederen, voorafgaan
komen na, leiden, op elkaar volgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien
vervanging[Classe]
succession de choses (fr)[Classe]
kringloop; cyclus; tijdkring[Classe]
erfgerechtigde; erfgenaam; erfgename; ambtsopvolger[ClasseHyper.]
opvolger; opvolgster; ambtsopvolger[ClasseHyper.]
periodiek[Classe]
qui se suit (fr)[Classe]
(achternagaan; achternalopen; achternarijden; volgen), (gevolg; cortège; entourage; hofstoet)[Caract.]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
InternalChange (en)[Domaine]
person (en)[Domaine]
successorInPosition (en)[Domaine]
mise en ordre (fr) - ordre temporel (fr) - aaneenschakeling, slier, sliert - interimaris, plaatsbekleder, plaatsvervanger, reservist, substituant, substituut, vervamging, vervanger - afstammeling, descendent, grut, kinderzegen, kroost, nageslacht, nakomeling, nakomelingschap, nakroost, nazaat, oir, telg - evenknie, gelijk, gelijke, leeftijdgenoot, pair, peer, zo iemand/iemand[Hyper.]
sequence (en) - opvolgen - achtereenvolgend, opeenvolgend, successief - sequence (en) - precedence, precedency, precession (en) - voorganger, voorgangster, voorloper[Dérivé]
ordered (en)[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
meetsTemporally (en)[Domaine]
opvolging, reeks - aaneenschakeling, aaneensluiting, opeenvolging, sequentie, successie - opvolger - ambtsopvolger - opvolgster - achtereenvolgend, opeenvolgend, successief[Dérivé]
opvolgen (v.)
survenir avant - après (fr)[ClasseOppos.]
conséquence finale (fr)[Classe]
important (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - afloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - fenomeen, manifestatie, verschijnsel - graad, level, niveau, peil, plan[Hyper.]
komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen[Dérivé]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
erop volgend[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
blijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen[Hyper.]
rendement, resultaat, uitkomst, uitslag - effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - eindpunt - consequent, konsekwent[Dérivé]
opvolgen (v. tr.)
désobéir - obéir (fr)[ClasseOppos.]
gehoorzamen[Classe]
méthode (fr)[DomaineCollocation]
opvolgen (v. tr.)