Publicité ▲
|
Résumé des résultats
traductions
synonymes
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
|
aangorden, aanleggen, aanmaken, bereiden, brouwen, gereedmaken, installeren, instrueren, klaarmaken, klaarstomen voor, koken, leggen, maken, neerzetten, opmaken, prepareren, toebereiden, voorbereiden, warmdraaien
africhten, dresseren, drillen, klaarmaken, klaarstomen, oefenen, samenbrengen, toebereiden, trainen, voorbereiden, warmdraaien
africhten, dresseren, drillen, equiperen, geoutilleerd, inrichten, klaarmaken, oefenen, op komst zijn, outilleren, toebereiden, toerusten, trainen, uitrusten, voorbereiden, voorzien van, warmdraaien
africhten, dresseren, drillen, klaarmaken, oefenen, toebereiden, trainen, voorbereiden, warmdraaien
effectuer une action (PCourante) (fr)[ClasseParExt.]
manufacturar; produzir; preencher; fazer — aanmaken; vervaardigen; fabriceren; produceren[Classe...]
prévoir, prédire, conjecturer (fr)[Thème]
(culinária; cozinha), (preparar) — (keuken; kookkunst; het koken; kook-), (toebereiden; klaarmaken)[Thème]
effectuer qqch en prévision d'une événement (fr)[Classe]
preparar — toebereiden; klaarmaken[ClasseHyper.]
preparar (v.)
munir (fr)[Classe...]
militarização — mobilisatie[Classe]
wapentuig; oorlogstuig[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Putting (en)[Domaine]
military (en)[Domaine]
Device (en)[Domaine]
give (en) - militarização — mobilisatie - armamento — bewapening, oorlogsmateriaal, wapenleverantie, wapenlevering - mobília — ameublement, boedel, huisraad, inboedel, inventaris, meubilair, meubilering, meublement - installatie - acessório — accessoire, accessoires, hulpstuk, parafernalia, toebehoren - acessório, equipamento, material — apparatuur, equipage, gerei, inrichting, materiaal, outillage, uitmonstering, uitrusting - roupa, trajo, vestido — dos, dracht, gelegenheidskleding, gewei, klederdracht, kledij, uitdossing, uitmonstering - tailleur (fr)[Hyper.]
provisão — aanbod, bevoorrading, energiebron, verschaffing - fournisseur, leverancier, toeleverancier, toeleveringsbedrijf - fornecimento, porção, provisOes, reserva — energiebron, vooraad, voorraad - armar — aangorden, bewapenen, wapenen - adquirir, aparelhar, equipar, providenciar/equipar — equiperen, geoutilleerd, inrichten, outilleren, toebereiden, toerusten, uitrusten, uitrusting, verdediging, verweer, voorzien van - équiper, équiper complètement (fr) - trajar, vestir — kleden, toetakelen, uitdossen - turn out (en)[Dérivé]
bewapenen, van wapens voorzien[Nominalisation]
handelshuis, instituut[Desc]
plural — meervoud, meervoudsvorm, mv., pl., pluralis, pluralisvorm - forças armadas, militar — krijgsmacht, legermacht, militair, regeringstroepen, strijdkrachten, troepenmacht - Grã-Bretanha, Reino Unido — Brittannië, Groot-Brittannië, Verenigd Koninkrijk[Domaine]
armamento — bewapening, oorlogsmateriaal, wapenleverantie, wapenlevering, wapentuig - outfitting (en) - accessoires, installation (fr) - acessório, aparelhos, equipamento, material — apparatuur, equipage, gerei, inrichting, materiaal, outillage, uitmonstering, uitrusting - bouwdoos, bouwpakket, gereedschap, uitzet - oorlogsmaterieel - outfit, tenue - outfitter (en)[Dérivé]
preparar (v.)
[Brasil]
nourriture (pour l'homme) (fr)[Classe]
culinária; cozinha — keuken; kookkunst; het koken; kook-[ClasseHyper.]
grande cuisine (fr)[Classe]
ustensile de cuisine destiné à cuire (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
gastronomy (en)[Domaine]
Cooking (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Combustion (en)[Domaine]
fazer, obrigar, perfazer — doen, in elkaar zetten, laten, maken, produceren, vervaardigen - changement d'état (fr) - keukengarnituur, keukengereedschap, keukengerei, kookgerei - trabalhador especializado, trabalhador qualificado — vakarbeider, vakarbeidster, vakman, vakvrouw - bereiden[Hyper.]
cozer — bakken, braden, koken - cozinhar — bereiden, brouwen, klaarmaken, koken, toebereiden - preparar — bereiden, brouwen, klaarmaken, koken, opmaken, prepareren, toebereiden, voorbereiden, warmdraaien - bereiden, brouwen, klaarmaken, koken, toebereiden - cozinhar — koken[Dérivé]
cozinha — keuken[Desc]
faire (fr)[Domaine]
gastronomy (en)[Domaine]
Cooking (en)[Domaine]
bereiden[Hyper.]
cozinha — het koken, keuken, kook-, kookkunst - fogão, maçA para cozer — fornuis, kookstel, kooktoestel, moesappel, stoofappel, stoofpeer - cuisinier, keukenmeid, keukenprinses[Dérivé]
fazer — maken[Domaine]
preparar (v.)
devoir ou exercice scolaire écrit (fr)[Classe]
qui précède dans le temps (fr)[Classe]
(preparação) — (klaarmaken; toebereiding)[termes liés]
school (en)[Domaine]
Learning (en)[Domaine]
EducationalProcess (en)[Domaine]
person (en)[Domaine]
SocialRole (en)[Domaine]
pedagogy (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
opgaaf, opgave, vraag - aprendiz, iniciante, novato, noviço, principiante — beginneling, beginner, broekje, debutant, groene, groentje, melkmuil, nieuweling, nieuwkomer, novice, vlasbaard - ensinar, instruir — bijbrengen, doceren, instrueren, lesgeven, les geven, onderrichten, onderricht geven, onderwijzen - educar, ensinar, escolarizar, instruir — instrueren, opleiden, scholen[Hyper.]
estudo — studie - campo, disciplina, domínio, terreno — discipline, domein, gebied, onderdeel, sfeer, specialisme, studierichting, terrein, tucht, veld, vlak - conhecimento, convivência, familiaridade, leitura atenta — bekendheid, kennis, kennisneming, nauwkeurige lezing, vertrouwdheid, vertrouwelijkheid, weten - preparar — africhten, dresseren, drillen, oefenen, trainen, voorbereiden, warmdraaien - exercer, former (fr) - soigneren - conditionner, discipliner, former (fr) - formation, stage (fr) - educatie, opvoeding - bijscholing, nascholing, vooropleiding - educação, formação, instrução — educatie, opleiding, opvoeding - educação — educatie, grootbrengen, opleiding, opvoeding, vorming - estagiário, pessoa em treinamento — practicant, trainee - lestoestel, lesvliegtuig, trainer - preparatório — voor-, voorbereidend - educativo — educatief, edukatief[Dérivé]
preparar — gereedmaken, klaarmaken, voorbereiden - préparer (fr)[Qui~]
anterior — voorafgaand[Similaire]
développer (fr)[Domaine]
estudar — instuderen, leren, ondervinden, opsteken, studeren[Hyper.]
lição de casa, trabalho de casa — huisarbeid, huiswerk, preparatie, schoolwerk, thuiswerk, voorbereiding, voorwerk - estagiário, pessoa em treinamento — practicant, stagiair, trainee - preparatório — voor-, voorbereidend[Dérivé]
exercer, former (fr) - soigneren[Domaine]
preparar (v.)
[Portugal , Brasil]
factotum (en)[Domaine]
Putting (en)[Domaine]
deslocar — bewegen, verplaatsen, verroeren - bouger, changer de position (fr)[Hyper.]
orientação — ligging, oriëntatie, oriëntering, plaatsing, placement, tafelschikking - position (fr) - actionneur rotatif, dispositif de mise en place, place-volet (fr) - placement, tafelschikking - lugar — plaats, plek, tussenruimte - local, lugar, posição — ligging, plaats, plek, stek, stekkie - engaste — vatting - espaço, localidade, lugar, no local, sítio — gelegenheid, kamer, localiteit, lokaliteit, oord, pl., plek, ruimte, stek, stekkie, tent - position (fr)[Dérivé]
deitar, deitar-se — aanliggen, leggen, neervlijen, schuilen, schuilgaan[Domaine]
empoleirar-se, sentar — neerzetten, neerzitten, zetelen, zitten - estar, estar de pé, ficar, permanecer — staan[Ant.]
preparar (v.)
apresentar, colocar, pôr, posar, pousar — deponeren, doen, leggen, neerleggen, opstellen, plaatsen, poseren, steken, stellen, stoppen, voorleggen, zetten - biddy, hen (en)[Hyper.]
botar, deitar, dispor, pôr, pousar, preparar — leggen[Dérivé]
ficar — aanliggen, liggen[Cause]
dispor, largar, pousar, preparar — aanleggen, leggen, neerzetten, voorbereiden[Hyper.]
poedeira — leghen[Dérivé]
preparar (v.)
factotum (en)[Domaine]
Increasing (en)[Domaine]
modificar — helpen - aperfeiçoamento, melhoria — verbetering, verheffing - suporte — onderstel, onderwerk, ruggensteun, ruggesteun, rugsteun, steun, stut, wagenstel[Hyper.]
fortification (en) - versteviging - reinforcement, strengthener (en) - fortification (en) - fortalecer-se - brace (en)[Dérivé]
fortalecer, reforçar — stalen, sterken, versterken[Cause]
aeroplano, avião — luchtvaartuig, vliegtuig[Domaine]
enfraquecer — afzwakken, bagatelliseren, ondermijning, verslappen, verzwakken[Ant.]
fortificar, reforçar — harden, pantseren, sterker worden, versterken, wapenen[Hyper.]
stabilisation, stabilization (en) - braçadeira, suporte — beugel[Dérivé]
preparar (v.)
[Brasil]
garnir (pourvoir une chose de qqch) (fr)[Classe]
dispositif d'un explosif (fr)[Classe]
(tiro; detonação) — (schot; schietsport), (onder vuur nemen)[Thème]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
cartouche (fr)[DomainDescrip.]
arme à feu (fr)[DomainDescrip.]
obus (fr)[DomainDescrip.]
modificar — helpen - système explosif (fr) - aansteker[Hyper.]
preparação, preparativo — voorbereiding - bereidheid, bereidwilligheid - boa vontade — bereidheid, paraatheid, snelheid - ready (en) - preparatório — voor-, voorbereidend - arrombar, fazer rebentar — afvuren, doen springen, opblazen - aprontar, preparar — klaarmaken - fuse (en)[Dérivé]
garnir (pourvoir qqch de qqch) (fr)[Classe...]
tirer avec une arme à feu (fr)[DomaineCollocation]
amorce (fr)[GenV+comp]
detonador, rastilho — detonator, lont[GenV+comp]
ontstekingsbuis[Dérivé]
preparar (v.)
[Portugal , Brasil]
modificar — helpen[ClasseHyper.]
qui précède dans le temps (fr)[Classe]
(preparação) — (klaarmaken; toebereiding)[termes liés]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
sexuality (en)[Domaine]
Removing (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
actividade, atividade, ocupação — actief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - geestesgesteldheid, geestestoestand - condição — bedoening, situatie, toestand - boa vontade — bereidheid, paraatheid, snelheid[Hyper.]
modificação, mudança — aanpassing, alteratie, verandering, wijziging - mudança, mutação — aanpassing, accommodatie, adaptatie, alteratie, assimilatie, bewerking, bijstelling, modificatie, mutatie, verandering, wijziging, wissel, wisseling - mudança — verandering - alteração, transformação — afwisseling, alteratie, alternantie, alternatie, alternering, keer, variatie, variëteit, wending, wijziging - changer, modifier (en) - mudança — verandering - mudança — verandering - alterable (en) - alterável, modificável — wijzigbaar - preparar — aangorden, gereedmaken, installeren, instrueren, klaarmaken, opmaken, prepareren, voorbereiden, warmdraaien - opzetten - preparado — bereid - disposto — bereid - desprevenido, irresoluto, não preparado, pouco circunspecto, pouco disposto, pouco prudente — onwillig - planejado, preparado — bereid, doordacht[Dérivé]
preparar — gereedmaken, klaarmaken, voorbereiden - préparer (fr)[Qui~]
trocar, trocar de roupa — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Cause]
psicologia — mensenkennis, psychologie, zielenroerselen, zieleroerselen, zielkunde - forças armadas, militar — krijgsmacht, legermacht, militair, regeringstroepen, strijdkrachten, troepenmacht[Domaine]
anterior — voorafgaand[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
modificar — helpen[Hyper.]
preparação, preparativo — voorbereiding - bereidheid, bereidwilligheid - boa vontade, presteza — paraatheid, snelheid - ready (en) - preparatório — voor-, voorbereidend[Dérivé]
preparar (v.)
industry (en)[Domaine]
Making (en)[Domaine]
juntar-se a — aaneensluiten, aansluiten, bijschuiven, invoegen, passen, samendoen, samenvoegen, synthetiseren, verbinden, verenen, verenigen - fazer, obrigar, perfazer — doen, in elkaar zetten, laten, maken, produceren, vervaardigen - création à partir de matières brutes (fr)[Hyper.]
assemblage - morceau (fr) - amontoação, colecção — arsenaal, collectie, kollektie, opeenhoping, opeenstapeling, verzameling - concoct (en) - confeccionar, confeitar, manipular, preparar - inventar — brouwen[Dérivé]
preparar (v.)