Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
locutions
réseau sémantique
mots-croisés
conjugaison
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
aantal, distichon, duet, duo, echtpaar, hoeveelheid, koppel, paar, set, span, stelletje, twee, tweekamp, tweespan, tweetal, wijdte
afstellen, beslissen, beweren, instellen, leggen, poneren, regelen, vaststellen, verklaren, veronderstellen, volhouden, zeggen
aannemen, afdoen, afhandelen, afsluiten, afstellen, afwerken, afwikkelen, als vanzelfsprekend aannemen, assumeren, bepalen, besluiten tot, constateren, deponeren, doen, gelijkzetten, imagineren, inbeelden, indenken, instellen, leggen, menen, nagaan, neerleggen, onderstellen, opmaken, opstellen, plaatsen, poneren, poseren, postuleren, presumeren, ruiten, samenstellen, schikken, sluiten, steken, stoppen, supponeren, toedenken, uitgaan van, vaststellen, verbeelden, vereffenen, vermoeden, veronderstellen, verstellen, verwachten, vinden, voorleggen, vooropstellen, voorstellen, wanen, zetten, zich weinig aan iets gelegen laten liggen, zonder meer aannemen
geheel; verzameling[Classe...]
(kaart; speelkaart), (kaartspel; kaartenspel), (kaartspelen; kaarten)[Thème]
ensemble (réunion d'éléments) (fr)[Classe...]
(kaart; speelkaart), (kaartspel; kaartenspel), (kaartspelen; kaarten)[termes liés]
stel (n.)
ensemble de personnes (fr)[Classe...]
(huwbaar)[Thème]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
figuur - aaneensluiten, aansluiten, bijschuiven, invoegen, passen, samendoen, samenvoegen, synthetiseren, verbinden, verenen, verenigen - opstellen, ordenen, rangschikken, schikken, structureren, vormgeven[Hyper.]
lucifer, luciferstokje, luizenveer, luizeveer, mat, schaakmat, zwavelstokje - koppeling, middenhand - couple, paire (fr) - paar - paar - catch, match (en) - distichon, duo, echtpaar, koppel, paar, stel, twee, tweekamp, tweetal, wijdte[Dérivé]
match (en) - geminate, pair (en)[Domaine]
dobbelspel, twee{#169}[Hyper.]
aanhangen, aankoppelen, koppeling - een paar doen vormen[Dérivé]
stel (n.)
mathématiques appliquées (fr)[Classe]
fysica; nat.; natuurfilosofie; natuurwetenschap; fysika[ClasseHyper.]
factotum (en)[Domaine]
part (en)[Domaine]
physics (en)[Domaine]
Physics (en)[Domaine]
iets - eenheid, entiteit - natuuronderwijs, natuurwetenschap[Hyper.]
unitise, unitize (en) - unitise, unitize (en) - unitise, unitize (en) - fysica, fysicus, natuurkundige, natuurwetenschapper - fysisch, fysische[Dérivé]
stel (n.)
muziekwerk; muziekstuk; muziekje; op.; opus; toonzetting; compositie[ClasseHyper.]
music (en)[Domaine]
Music (en)[Domaine]
muziek[Hyper.]
stel (n.)
compter (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
measure (en)[Domaine]
mathematics (en)[Domaine]
Calculating (en)[Domaine]
Counting (en)[Domaine]
grootheid, grootsheid, grootte, gtootte, omvang, uitgebreidheid - beperken - argumenteren, raisonneren, redeneren - identificeren - bepalen, vaststellen - aanduiden, aangeven, benoemen, indiceren, tonen - bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten[Hyper.]
aantal, hoeveelheid, stel - no., nr, nr., numero, nummer, nº, volgnummer - cijfer, telwoord - getal - berekening, calculatie, cijferwerk, rekenwerk - calculator, rekenaar, rekenautomaat, rekenmachine, rekentoesel, rekentuig, zakrekenmachine - calculatrice, processeur de données (fr) - berekening, tellen, telling - calcul infinitésimal (fr) - calculator, rekenaar, rekentabel, rekentafel - somme (fr) - niets, niks, nulteken - berekenbaar - listage (fr) - cedel, ceel, enumeratie, lijst, opgave, opsomming, ranglijst - enumeratie, nummering, opgave, opsomming - cijferwerk, enumeratie, nummering, opsomming, rekenmethode, rekenwerk, telling, telwerk - tab, tabulator - fiche - counter (en) - teller, volksteller - counter (en) - telbaar - gehalte, graad, grootheid, hoeveelheid, kwantiteit, maat, maatstelsel, mate, meting - eindafrekening, eindbedrag, som, totaal, totaalbedrag - eindbedrag, totaal, totaalbedrag[Dérivé]
evenaren, gelijk zijn aan, net zo goed zijn als - matematica, matematika, mathematica, mathematika, rekenkunde, wiskunde[Domaine]
aanbouwen, bijtellen, optellen[Analogie]
factotum (en)[Domaine]
Number (en)[Domaine]
bedrag[Hyper.]
keep down, number (en) - becijferen, begroten, beramen, calculeren, cijferen, omrekenen, rekenen, uitrekenen - een lijst maken van, nummeren - tellen - číslovat, očíslovat (cs) - bedragen, komen op[Dérivé]
stel (n.)
collection d'objets de même fonctionnalité. (fr)[Classe]
ensemble (réunion d'éléments) (fr)[Classe...]
opeenhoping; opeenstapeling; kollektie; verzameling; collectie; arsenaal; ophoping[ClasseHyper.]
ensemble de choses mises ensemble en grand nombre (fr)[Classe]
chose(s) mise(s) en tas (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Collection (en)[Domaine]
groep, groepering, kring, lieden, lui, luiden, luitjes - accumulation, amoncellement, entassement (fr)[Hyper.]
amonceler (fr)[Nominalisation]
assemblage, assembleren, componeren, construeren, in elkaar zetten, installatie, montage, monteren, opbouwen, samenroepen, samenstellen, samenvoegen - bijeenbrengen, bijeengaren, bijeenkrijgen, laten oplopen, lezen, ophalen, ophopen, oppotten, opsparen, opstapelen, paren, potten, rapen, samenbrengen, verenigen, vergaderen, vergaren, vermenigvuldigen, verzamelen[Dérivé]
outillage; apparatuur; equipage; inrichting; materiaal; uitmonstering; uitrusting; gerei; ijzerwaren[Classe]
factotum (en)[Domaine]
Collection (en)[Domaine]
stel (n.)
appliquer son esprit à des connaissances (fr)[Classe]
aanrekenen; aanzien; houden; verslijten; achten; vinden[Classe]
prévoir (fr)[Classe]
twijfeling; weifeling; aarzeling; halfheid; halfslachtigheid[Classe]
gedachte; overdenking; nadenken; het nadenken[Classe]
vooroordeel[Classe]
onderstelling; veronderstelling; vermoeden; giswerk; speculatie; conjectuur; gissing; hypotese; hypothese[ClasseHyper.]
factotum (en)[Domaine]
expects (en)[Domaine]
believes (en)[Domaine]
aankijken, bekijken, beoordelen, berekenen, beschouwen, bezien, inschatten, oordelen, schatten, taxeren, zien - veronderstelling - begroting, inschatting, raming, schatting - inhoud - credo, geloof - gedachte, mening, opinie, visie, zienswijze - eenling, enkeling, figuur, iemand, individu, mens, particulier, persoon, sterveling, stervelinge, zelfstandige, ziel[Hyper.]
afwachting, verwachting - prémonition (fr) - vol verwachting - aannemen, imagineren, inbeelden, indenken, menen, nagaan, postuleren, presumeren, stellen, toedenken, verbeelden, vermoeden, veronderstellen, verwachten, vinden, vooropstellen, voorstellen, wanen - gissen, speculeren, theoretiseren - gegist - tenter de deviner (fr) - bedenken, kennen, onthouden, oppikken, reproduceren, terughalen, thuisbrengen - denken, verwachten - vinden - denken, menen, vinden, zeggen - erover nadenken - denken - imagineren, inbeelden, indenken, nagaan, verbeelden, voorstellen, zich inbeelden, zich indenken, zich verbeelden, zich voorstellen - erover nadenken - ideal (en) - aanmerken, aanschouwen, aanzien, achten, beschouwen, beschouwen als, bevinden, houden, inzien, oordelen, schatten, zien - begroten, benaderen, beoordelen, beramen, calculeren, koersen, oordelen, prijzen, ramen, schatten, uitlaten - surmise (en) - zeggen - bevroeden, denken, geloven, menen, vermoeden - gissen, speculeren, theoretiseren - gissen[Dérivé]
anticiperen, verwachten, vooruitkijken, vooruitlopen, vooruitzien, voorzien[Hyper.]
hypothèse, supposition (fr) - gissing, giswerk, nattevingerwerk, speculatie - begrip, denkbeeld - convictie, dunk, gevoelen, gezindheid, het denken, inzicht, oordeel, opvatting, overtuiging, standpunt, stellingname - conjectuur, denk, onderstelling, raden, vermoeden - gisser, rader[Dérivé]
stellen (v.)
ligging; oriëntering; oriëntatie; plaatsing; tafelschikking; placement; houding[ClasseHyper.]
oord; localiteit; lokaliteit; gelegenheid; tent; pl.; stek; stekkie; plek; ruimte[ClasseHyper.]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Transfer (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
Putting (en)[Domaine]
Designing (en)[Domaine]
Region (en)[Domaine]
located (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - actief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - ligging, oriëntatie, oriëntering, plaatsing, placement, tafelschikking - drijfwerk - inplanting, ligging, positie, ruimte, situatie, stand - oppervlakte - punt - ligging, plaats, plek, stek, stekkie[Hyper.]
beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - bewegingsstijl - verhuisbedrijf, verhuizer - verhuizer - beweegbaar, vervoerbaar - movable (en) - beweging, mechaniek - neerstrijken, vestigen - deponeren, doen, leggen, neerleggen, opstellen, plaatsen, poseren, steken, stellen, stoppen, voorleggen, zetten - emplace (en) - vaststellen - positionner (fr) - plaatsen - aanplanten, aanpoten, afleggen, beplanten, inplanten, planten, poten - bezetten, incrusteren, invatten - mettre (fr) - plaatsen - opstellen, ordenen, rangschikken, schikken, structureren, vormgeven - localiseren, lokaliseren, lokalizeren, plaatsen, situeren - rechter - linker - instellen - aansturen, nawijzen, richten[Dérivé]
orienter (fr)[Nominalisation]
biljet, formulier, invulbiljet, invulformulier[Desc]
bouger, changer de position (fr)[Cause]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - computerkunde, computerwetenschap, computerwetenschappen ''f, informatica, informatiekunde, informatiemechanica, informatietechnologie, pl''[Domaine]
hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
Putting (en)[Domaine]
bewegen, verplaatsen, verroeren - changer de position (fr)[Hyper.]
ligging, oriëntatie, oriëntering, plaatsing, placement, tafelschikking - set (en) - actionneur rotatif, dispositif de mise en place, place-volet (fr) - positionnement (fr) - plaats, plek, tussenruimte - stek, stekkie - vatting - gelegenheid, kamer, localiteit, lokaliteit, oord, pl., tent[Dérivé]
stellen (v.)
appliquer son esprit à des connaissances (fr)[Classe]
aanrekenen; aanzien; houden; verslijten; achten; vinden[Classe]
conj. de sub. : hypothèse de vérité (fr)[Classe]
prévoir (fr)[Classe]
principe théorique (fr)[Classe]
evidentie[Classe]
vooronderstelling; gegevenheid; gegeven; aanmatiging; pretentie; zelfverheffing; randvoorwaarde; veronderstelling[ClasseHyper.]
proposition logique (fr)[Classe]
proposition syllogistique (fr)[Classe]
start; begin[Classe]
(voorwaarde; bepaling; konditie; beding; conditie)[Thème]
(rekenopgave; rekensom)[Thème]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
expects (en)[Domaine]
Proposition (en)[Domaine]
aankijken, bekijken, beoordelen, berekenen, beschouwen, bezien, inschatten, oordelen, schatten, taxeren, zien - actie, daad, handeling, verrichting - onbeleefdheid, onhoffelijkheid - gevolgtrekking - apriori, a-priori, apriorisme, assumptie, basisbegrip, grondbegrip, hypothese, postulaat, premisse, presumptie, presuppositie, suppositie, theorie, vooronderstelling - apriori, a-priori, apriorisme, assumptie, basisbegrip, grondbegrip, hypothese, postulaat, premisse, presumptie, presuppositie, suppositie, vooronderstelling - axioma, hypothese, postulaat[Hyper.]
afwachting, verwachting - prémonition (fr) - vol verwachting - aannemen, als vanzelfsprekend aannemen, assumeren, onderstellen, poneren, postuleren, presumeren, stellen, supponeren, uitgaan van, veronderstellen, zich weinig aan iets gelegen laten liggen, zonder meer aannemen - aanmatigen - zich aanmatigen - aanmatigend - zeggen - gegist - given, granted (en) - premise, premiss (en)[Dérivé]
toedenken, veronderstellen, vooronderstellen, vooropstellen[Nominalisation]
afwachten, ergens op verdacht zijn, incalculeren, inkalkuleren, opwachten, rekenen op, rekening houden met, tegemoet zien, verbeiden, verwachten, vlassen, wachten - jurisprudentie, wetgeving[Domaine]
acknowledged (en) - geloofwaardig[Similaire]
condition indispensable à l'existence d'un fait (fr)[DomaineCollocation]
problème de mathématique (fr)[DomaineCollocation]
factotum (en)[Domaine]
believes (en)[Domaine]
[ à considérer que ] (fr) - [ en admettant que ] (fr) - gesteld dat[Syntagme]
anticiperen, verwachten, vooruitkijken, vooruitlopen, vooruitzien, voorzien[Hyper.]
veronderstelling - presumption (en) - презумция (bg) - apriori, a-priori, apriorisme, assumptie, basisbegrip, grondbegrip, hypothese, postulaat, premisse, presumptie, presuppositie, suppositie, vooronderstelling - aanmatiging, gegeven, gegevenheid, pretentie, randvoorwaarde, zelfverheffing - prémisse (fr) - assumptive (en) - presumptive (en)[Dérivé]
stellen (v. tr.)
besluit; beslissing; constatering; decisie; determinatie; vaststelling; conclusie[ClasseHyper.]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Selecting (en)[Domaine]
believes (en)[Domaine]
keur, keus, optie, schifting, selectie - beoordeling, verstand - aandrang, aandrift, geneigdheid, inclinatie[Hyper.]
afleiden, afleidend, besluiten, concluderen, knobbelen, opmaken, uitkienen, uitknobbelen, uitmikken - beschikken, beslissen, besluiten, decideren, oordelen, resolveren, uitgemaakt, uitmaken - afsluiten, bepalen, besluiten tot, constateren, sluiten, stellen, vaststellen - afdoen, afhandelen, afwerken, afwikkelen, bepalen, ruiten, schikken, stellen, vaststellen, vereffenen - bepalen, vaststellen - besluiten - vaststellen[Dérivé]
bepalen, beslissen, besluiten[Nominalisation]
factotum (en)[Domaine]
Deciding (en)[Domaine]
stellen (v. tr.)
helpen[ClasseHyper.]
qui permet de rectifier (fr)[Classe]
sexuality (en)[Domaine]
Removing (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
industry (en)[Domaine]
Comparing (en)[Domaine]
omdraaien, omkeren - graduatie, ijking, maatverdeling, schaal, schaalverdeling - onderzoeker, speurder[Hyper.]
aanpassing, alteratie, verandering, wijziging - aanpassing, accommodatie, adaptatie, alteratie, assimilatie, bewerking, bijstelling, modificatie, mutatie, verandering, wijziging, wissel, wisseling - verandering - afwisseling, alteratie, alternantie, alternatie, alternering, keer, variatie, variëteit, wending, wijziging - changer, modifier (en) - verandering - verandering - alterable (en) - wijzigbaar - bestraffing, correctie, rechtzetting, repressie - afstellen, gelijkzetten, instellen, stellen, verstellen - aanwijzen, aflezen, opnemen, optekenen, registreren, tapen - adjust (en)[Dérivé]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Cause]
adaptatif, convenant (fr) - bettering (en) - veranderlijk[Similaire]
vervalsen[Ant.]
helpen - corrigeren, rechtzetten, verbeteren[Hyper.]
depot, notificatie, orgelspel, registratie - schade-expert, schatter - adjustive (en) - corrigerend, verbeterend - ajustable, réglable (fr)[Dérivé]
stellen (v. tr.)
scheiden van; opdelen; opsplitsen; scheiden; distribueren; verdelen; versnipperen[Classe]
dessiner (fr)[Classe]
besluit; beslissing; constatering; decisie; determinatie; vaststelling; conclusie[ClasseHyper.]
(verdelen; opsplitsen), (splitsing; verdeling; opdeling; scheiding), (deler; erflater; legator)[Thème]
(regel; lijn; linie)[Thème]
(mobilisatie)[Thème]
(kwadraat; vierkant; quadraat; vak; vierhoek)[Thème]
(grondgebied; territorium), (indringer; insluiper; invaller)[Thème]
factotum (en)[Domaine]
Deciding (en)[Domaine]
Selecting (en)[Domaine]
believes (en)[Domaine]
aansluiten, accorderen, afspreken, bijvallen, fiatteren, goedkeuren, goedvinden, het eens zijn, instemmen, onderschrijven, ondersteunen, overeenkomen, overeenstemmen, sanctioneren, schragen, toestemmen - keur, keus, optie, schifting, selectie - beoordeling, verstand - argument - afspraak, akkoord, contract, convenant, deal, overeenkomst, overeenstemming[Hyper.]
constatering, vaststelling - resolutie - overtuigend - afleiden, afleidend, besluiten, concluderen, knobbelen, opmaken, uitkienen, uitknobbelen, uitmikken - beschikken, beslissen, besluiten, decideren, oordelen, resolveren, uitgemaakt, uitmaken - afsluiten, bepalen, besluiten tot, constateren, sluiten, stellen, vaststellen - afdoen, afhandelen, afwerken, afwikkelen, bepalen, ruiten, schikken, stellen, vaststellen, vereffenen - bepalen, vaststellen - besluiten - afdoen, afhandelen, afwerken, afwikkelen, komen, oplossen - afdoen, afhandelen, afwerken, afwikkelen, regelen, schikken, vereffenen[Dérivé]
bepalen, beslissen, besluiten[Nominalisation]
verdelen; opsplitsen[Classe]
tracer une (ou des) ligne(s) (fr)[Classe]
(mobilisatie)[termes liés]
(kwadraat; vierkant; quadraat; vak; vierhoek)[termes liés]
territoire (fr)[DomaineCollocation]
besluiten[Hyper.]
constatering, vaststelling - beslissing, besluit, conclusie, decisie, determinatie - afsluiter, hekkensluiter, hekkesluiter - arrangement, oplossing, regeling[Dérivé]
stellen (v. tr.)
building_industry (en)[Domaine]
Planning (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Plan (en)[Domaine]
créer par réflexion (fr) - vak - filmopname - klad, schets - bestek, draaiboek, idee, planning, programma, schema, tijdsindeling, voornemen[Hyper.]
design, het ontwerpen - planning, planologie - ontwerp, plaatje - grondtekening, plan, plattegrond, situatieplan - het uitvinden, innovatie, vindingrijkheid - architect, architecte, architekt, architekte, bouwkundige, bouwkundig ingenieur, bouwmeester, designer, ontwerper, vormgever - ontwerper, planner, planoloog - opmaken, opstellen, samenstellen, stellen - modeler (fr)[Dérivé]
ontwerpen, projecteren[Hyper.]
drafting, mechanical drawing (en) - blauwdruk - brouillon (fr) - patroon[Dérivé]
stellen (v. tr.)
Toutes les traductions de stel
eBay |
Tiernos Cuidados = Affectionate Cares - Bagwell, Stel N (5.63 EUR) Usage commercial de ce terme | Amor Traidor: Treacherous Love (Harle - Bagwell, Stel N (5.66 EUR) Usage commercial de ce terme |
Heart of My Heart (Harlequin Super Ro - MacLean, Stel N (5.88 EUR) Usage commercial de ce terme | Pasado Olvidado: Forgotten Past (Harl - Bagwell, Stel N (6.58 EUR) Usage commercial de ce terme |
A Texan on Her Doorstep (Silhouette S - Bagwell, Stel N (6.82 EUR) Usage commercial de ce terme | Baby in Her Arms (Harlequin Larger Pr - MacLean, Stel N (7.37 EUR) Usage commercial de ce terme |