Publicité ▼
Dernières recherches dans le dictionnaire :
calculé en 0.687s
Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
locutions
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
↘ effectuering, effektuering, realisatie, realisering, realizatie, realizering, totstandkoming, vervulling, verwezenlijking ≠ verloochenen, verzaken
aftekenen, erkennen, gebeuren, merken, ogen, passen, resulteren, rondkomen, schikken, sluiten, spelen, staan, terechtkomen, toegeven, treffen, uitkomen op, uitkomen voor, uitlekken, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, verschijnen, zien
afsteken, aftekenen, bekleden, betreffen, buitenkomen, contrasteren, conveniëren, correct zijn, doorregenen, doorsijpelen, gelden, het opnemen tegen, infiltreren, juist zijn, kaarten, kaartspelen, kloppen, komen na, korrekt zijn, leiden, leiden naar, lopen, lopend, meespelen, naar buiten gaan, naar buiten komen, ontluiken, opduiken, op elkaar volgen, opengaan, openspringen, openvliegen, opgaan, opkomen, opleveren, opspelen, opvolgen, passen, resulteren, ruchtbaar worden, schieten, schikken, spelen, sporten, staan, strekken, treffen, uitdraaien, uitgaan, uitlekken, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitschieten, uitspelen, uitstrekken, uitvallen, valideren, vallen, verhouden, verspelen, verwezenlijkt worden, vigeren, voeren, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien, werkelijkheid worden
couler (se déplacer, pour un liquide) (fr)[Classe]
uitkomen; buitenkomen; uitgaan; naar buiten gaan; naar buiten komen[Classe]
exercer une action sur soi-même (fr)[Classe...]
bouger en changeant de place, se déplacer (fr)[Classe...]
se mettre à l'intérieur - l'extérieur de (fr)[ClasseOppos.]
déborder (liquide) (fr)[Thème]
(afreis; weggaan; vertrek; afscheid; vaarwel; het (weg)gaan; het gaan)[Thème]
(buiten; buitenshuis; in de open lucht), (picknick)[Thème]
(bad)[Thème]
verbe admettant un cplt de lieu (fr)[DomaineCollocation]
déborder (pour un liquide) (fr)[ClasseParExt.]
partir, quitter un lieu (fr)[ClasseParExt.]
s'aérer (fr)[ClasseParExt.]
uitkomen; buitenkomen; uitgaan; naar buiten gaan; naar buiten komen[ClasseHyper.]
(buiten; buitenshuis; in de open lucht), (picknick)[termes liés]
bain (fr)[DomaineCollocation]
uitkomen (v. intr.)
ne pas convenir - convenir (fr)[ClasseOppos.]
convenir (fr)[Thème]
convenir à qqch ou qqn (fr)[Classe]
uitkomen (v. intr.)
échouer - réussir (fr)[ClasseOppos.]
(kassucces; voorspoed; topper; sukses; geweldig succes)[Thème]
(gunstig; bevorderlijk), (heilzaam)[Caract.]
réussir (fr)[Classe]
uitkomen (v. intr.)
s'ouvrir (fleur en bouton) (fr)[Classe]
uitkomen (v. intr.)
s'annoncer, devenir public (fr)[Classe]
uitkomen (v. intr.)
devenir autre (fr)[Classe...]
(verwerkelijking)[Thème]
devenir matériel (fr)[Classe]
uitkomen (v. intr.)
contredire (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
Stating (en)[Domaine]
believes (en)[Domaine]
refers (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
aangeven, verklaren - communicator[Hyper.]
admission, aveu (fr) - dankbetuiging, dankzegging, erkenning, herkenning - acknowledgeable (en) - uitkomen - loochening, ontkenning[Dérivé]
bekennen, erkennen, toegeven[Hyper.]
avower (en)[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)
racine SUMO (fr)[Domaine]
betting (en)[Domaine]
FinancialTransaction (en)[Domaine]
positionner (fr) - afleiding, dolce far niente, ontspanning, recreatie, rekreatie, relaxatie, verpozing, verstrooiing, vrijetijdsbesteding - ondeugd - aanwenden, bedienen, behandelen, bezigen, doorvoeren, hanteren, implementeren, introduceren, invoeren, nemen, omgaan, overgaan, overschakelen, pakken, toepassen, uitoefenen, verwerken, wijden[Hyper.]
deployeren - gokken, verspelen - jouer, parier (fr) - gokken, inleggen, inzetten, spelen, wedden, wedden op, zetten - kaarten, kaartspelen, opspelen, spelen, uitkomen, uitspelen, vallen - gokken, inzetten, verwedden, wedden - jouer (fr) - plan, stratagème, stratégie (fr)[Dérivé]
meten, opmeten, opnemen, uitmeten[Domaine]
Game (en)[Domaine]
charteren, inschakelen, inspannen, inzetten[Hyper.]
het gokken, speelwijze[Dérivé]
jouer (fr) - hrát (cs)[Domaine]
uitkomen (v. intr.)
concourir simultanément avec d'autres personnes (fr)[Classe]
racine SUMO (fr)[Domaine]
sport (en)[Domaine]
Contest (en)[Domaine]
play (en)[Domaine]
contestParticipant (en)[Domaine]
actie, aktie, handeling, rechtshandeling, verrichting - plan de campagne, werkplan - zin - concurrent, deelnemer, mededinger, medestrever, medestrijder - elftal, gekkengetal, voetbalelftal - gehalte, graad, grootheid, hoeveelheid, kwantiteit, maat, maatstelsel, mate, meting - periode, tijd, tijdruimte, tijdsafstand, tijdsduur, tijdsruimte, tijdsspanne, tijdsverloop[Hyper.]
aanstoker, aanstookster, betwister, concurrent, concurrentie, deelnemer, mededinger, medeminnaar, ophitser, provocateur, provocateuse, rivaal, rivale, uitdager - rival (fr)[GenV+comp]
competitie, concours, concurrentie, concurrentiestrijd, mededinging, prijsvraag, rivaliteit, wedijver - compétitif (fr) - uitkomen - het opnemen tegen, meespelen, spelen, sporten, uitkomen, verspelen - meten, opmeten, opnemen, uitmeten - play, recreate (en) - spelen - jouer (fr) - jouer (fr) - jeu (fr) - schermutseling - samenkomst - jeu, période de jeu (fr)[Dérivé]
athlétisme (fr)[Desc]
game, kamp, match, ontmoeting, potje, spelletje, sportwedstrijd, treffen, wedkamp, wedstrijd, wildbraad - concurreren, mededingen, meedingen, meten, rivaliseren, rivalizeren, vechten, wedijveren - play (en)[Domaine]
Game (en)[Domaine]
concurreren, mededingen, meedingen, meten, rivaliseren, rivalizeren, vechten, wedijveren[Hyper.]
jeu (fr) - plan, stratagème, stratégie (fr) - speler - période de jeu (fr)[Dérivé]
meten, opmeten, opnemen, uitmeten[Domaine]
uitkomen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
NormativeAttribute (en)[Domaine]
realization (en)[Domaine]
industry (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
accorderen, concorderen, congrueren, correleren, corresponderen, kleuren, overeenkomen, overeenkomen met, overeenstemmen, rijmen, sluiten, sporen, stroken, verband houden - verbetering - couturier, couturière (fr)[Hyper.]
aanpassen, acclimatiseren, accommoderen, assimileren, bijsturen, gewennen, plooien, richten, schikken, voegen, wennen, zich aanpassen - aanpassen, accommoderen, adapteren, conformeren - fit (en) - accorder, assortir, mettre en harmonie (fr) - accommoderen, akkommoderen, zich verzoenen - conveniëren, passen, schikken, staan, treffen, uitkomen, verhouden[Dérivé]
noncompetitive (en)[Similaire]
uitkomen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
Seeing (en)[Domaine]
algemene kennis[Hyper.]
apparition (en) - aanblik, aanzicht, aanzien, gezicht, habitus, uiterlijk, voorkomen - apparition (fr) - duidelijk, klaarblijkelijk - opduiken, opkomen, uitkomen - donner (fr) - ouvert (fr)[Dérivé]
opdoemen, verschijnen, vertonen[Hyper.]
open, surface (en)[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
direction (en)[Domaine]
uitkomen (v. intr.)
biology (en)[Domaine]
Growth (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - bladgroente, groen, groente, groenten, milieupartij, sinopel, vegetabiliën - partie de la plante (fr) - organe de plante (fr)[Hyper.]
delving, verwerving, winning - groei, groeiproces, loop, ontologie, ontwikkelingsgang, rijping, rijpingsproces, verloop, wasdom, wordingsleer, zijnsleer - schieten, uitkomen, uitlopen, uitschieten - opkomen, schieten, uitlopen, uitschieten - germinate (en)[Dérivé]
zich aanwennen[Domaine]
aangroeien, ontwikkelen, regenereren[Hyper.]
spruit - porte-greffe (fr) - bourgeon (fr) - ontkieming[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)
(ei; eitje; eicel)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
GeographicArea (en)[Domaine]
overgaan - propriété (fr) - aandoen, berokkenen, genereren, opwekken, reproduceren, vermenigvuldigen, verwekken, voortbrengen, voortplanten, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten[Hyper.]
birth, nascence, nascency, nativity (en) - geboorte - geboorte - uitkomen - bebroeden, broeden, uitbroeden - broedmachine, broedstoof, couveuse, incubator, kweekkamer, thermostaat, warmteregelaar - broed, broedsel - incubatietijd, uitbroeiden - hatch, hatching (en)[Dérivé]
couvrir, élever (fr) - aanschikken, gaan zitten, neerzetten, neerzijgen, neerzitten, nestelen, plaatsnemen[Domaine]
geboren worden, geboren zijn[Hyper.]
broederij, kweekplaats, kweekvijver - hatch, hatching (en)[Dérivé]
bebroeden, broeden, uitbroeden[Domaine]
uitkomen (v. intr.)
Apocalyps, bekendmaking, onthulling, Openb., openbaarmaking, openbaring, revelatie, verkondiging - informant, zegsman[Hyper.]
doorregenen, doorsijpelen, infiltreren, uitkomen, uitlekken - doorregenen, lekken - blabbermouthed, leaky, talebearing, tattling (en)[Dérivé]
aan het licht brengen, manifesteren, openbaren, reveleren, ruchtbaar maken, uitbrengen, uiten[Domaine]
komen, loskomen, vrijkomen[Hyper.]
het uitlekken, lekstralen, lekstroom - ampoule mal scellée (fr)[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)
reconnaître, percevoir, trouver ce qu'on cherche (fr)[Classe]
repérer (fr)[Classe]
énoncer, faire apparaître ce qui était secret (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
Disseminating (en)[Domaine]
waarschuwen[Hyper.]
Apocalyps, onthulling, Openb., openbaring, revelatie - Apocalyps, bekendmaking, onthulling, Openb., openbaarmaking, openbaring, revelatie, verkondiging - divulgation (fr) - ontdekking, vondst - giveaway (en) - dévoilement, révélation (fr) - effet de masque réduit (fr)[Dérivé]
komen, loskomen, vrijkomen[Cause]
aan het licht brengen, manifesteren, openbaren, reveleren, ruchtbaar maken, uitbrengen, uiten[Hyper.]
uitkomen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
refers (en)[Domaine]
dénotation, extension (fr) - bewijskracht, toepasselijkheid - gepast, geschikt, goed, juist, passend, toepasselijk - applicatie, gebruikmaking, toepassing - toepasselijk - toepasselijk[Dérivé]
aanroeren, aanstippen, zinspelen - bekleden, betreffen, gelden, kloppen, opgaan, strekken, uitkomen, uitstrekken, valideren, vigeren[Domaine]
praktisch - approprié (fr)[Similaire]
refuser (fr)[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
toepasselijk - applicable (fr)[Dérivé]
blootstaan[Domaine]
uitkomen (v. intr.)
speelgoed; speeltuig; speeltje[ClasseHyper.]
play (en)[Domaine]
RecreationOrExerciseDevice (en)[Domaine]
actie, aktie, handeling, rechtshandeling, verrichting - artefact - bul, bullen, diversen, drogerij, goedje, spullen, spulletjes[Hyper.]
uitkomen - het opnemen tegen, meespelen, spelen, sporten, uitkomen, verspelen - meten, opmeten, opnemen, uitmeten - play, recreate (en) - spelen[Dérivé]
industrie du jouet (fr)[Desc]
betonen, dienen, figureren, fungeren, houden, spelen, tonen, uithangen, voordoen - acteren[Domaine]
gedragen, zich gedragen[Hyper.]
jeu (fr) - speelgoed, speeltje, speeltuig[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
lucifer, luciferstokje, luizenveer, luizeveer, mat, schaakmat, zwavelstokje - overeenkomst - accordant, agreeable, concordant, conformable, consonant (en) - analoge, analoog, bijbehorend, corresponderend, korresponderend, overeenkomend, overeenkomstig[Dérivé]
contrôler, vérifier (fr) - afstemmen, harmoniëren, in harmonie brengen, inpassen, kleuren bij, klikken, overeenstemmen, samengaan[Domaine]
uitkomen (v. intr.)
paraître, donner l'impression (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - bouger, changer de position (fr)[Hyper.]
voorkomen - blik, expressie, fysiognomie, fysionomie, gelaatsexpressie, gelaatsuitdrukking, gezicht, gezichtsuitdrukking, uitdrukking, uitziend, voorkomen - apparition (fr) - accent, toon - paardensprong, paardesprong, springen, sprong - hup, stuit - saut (fr) - jumper (en) - beschouwing, blik, gezichtspunt, kijk, optiek, optisch, standpunt, uitgangspunt, visie, zienswijs, zienswijze[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)
survenir avant - après (fr)[ClasseOppos.]
conséquence finale (fr)[Classe]
important (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - afloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - fenomeen, manifestatie, verschijnsel - graad, level, niveau, peil, plan[Hyper.]
komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen[Dérivé]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
erop volgend[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
blijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen[Hyper.]
rendement, resultaat, uitkomst, uitslag - effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - eindpunt - consequent, konsekwent[Dérivé]
uitkomen (v. intr.)