Publicité ▼

Dernières recherches dans le dictionnaire :

grootboek · PISTOOL · SAON · chanteren · WULFOALD ·
3267 visiteurs en ligne

calculé en 0.75s

   Publicité 

Ecran ▼    Interface ▼    Favoris ▼   

 » 

Choisissez vos langues source et cible.

Résumé des résultats
 synonymes   locutions   réseau sémantique   mots-croisés   exemple   Ebay   catalogue   traductions 
 

voir aussi

uitlopen (v.)

sleet, slijtage, slijting bloemknop, knop versnellen

 

synonymes

 

locutions

 

dictionnaire analogique






uitlopen (v. intr.)




slinken; enger worden; versmallen; zich versmallen; smaller worden; zich vernauwen; inkrimpen; kleiner worden; achteruitgaan; verminderen; afnemen; ineenschrompelen[Classe]

ralentissement (fr)[Classe]

réduire la vitesse (fr)[Thème]

(snelheid; gang; gangetje; tempo; vaart; vaartje; rijsnelheid; vaarsnelheid; vlugheid)[termes liés]

factotum (en)[Domaine]

Decreasing (en)[Domaine]

Accelerating (en)[Domaine]

changer de taille (fr) - oponthoud, opschorting, prorogatie, respijt, temporisatie, uitstel, verlet, verschuiving, verwijl - underdevelopment (en) - afwisseling, alteratie, alternantie, alternatie, alternering, keer, variatie, variëteit, wending, wijziging - doorzetten, verdiepen, verhevigen[Hyper.]

afname, afneming, afslag, daling, discount, inkrimping, korting, mindering, rabat, reductie, reductionisme, remissie, simplificatie, vereenvoudiging, verkleining, verlaging, vermindering - afname - herfst, najaar - terugloop - eindfase, slotfase, verkleining - diminution, réduction (fr) - retarderen, vertragen - afremmen, snelheid minderen, uitlopen, vaart minderen, vertragen - vertragen - afremmen - achterblijven, achterliggen, achterstaan, beuzelen, onderdoen, ten achter raken, terugzakken, verbleken - retard (en) - het te snel rijden, speed - acceleratie, acceleratievermogen, versnelling - gang, gangetje, rijsnelheid, snelheid, tempo, vaarsnelheid, vaart, vaartje - vélocité (fr) - versnellend[Dérivé]

verlangzamen - décélérer (fr)[Nominalisation]

aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser (fr) - afstuiven, doorsnellen, doorvliegen, ijlen, jakkeren, koersen, racen, razen, reppen, snellen, spoeden, stormen, storten, stuiven, vliegen, voorbijflitsen, voorbij flitsen, zoeven[Analogie]

groeien, meerderen, oplopen, stijgen, toenemen, verhogen, vermeerderen - acceleratie, acceleratievermogen, versnelling[Ant.]

uitlopen (v. intr.)



uitlopen (v. intr.)



verbes ayant pour COD un événement (fr)[Classe...]

reproduceren; vermenigvuldigen; voortplanten; voortbrengen; verwekken; berokkenen; aandoen; genereren; opwekken; zich voortplanten; zich vermenigvuldigen[Classe...]

longue durée (fr)[Classe]

kontinuïteit; continuïteit; voortzetting; voortduring; voortgang[Classe]

action de jeu dans un sport de ballon (fr)[ClasseParExt.]

prolongatie; verlenging; bestendiging[ClasseHyper.]

(rekken; langer doen duren; prolongeren; uitlopen; verlengen), (prolongatie; verlenging; bestendiging)[Thème]

(welluidendheid; harmonie), (cadans; kadans; slotcadans; slotcadens; deuntje)[termes liés]

((doen) toenemen; groter maken; uitbouwen; vergroten; uitvergroten; groter weergeven), (vergrotingsapparaat)[termes liés]

uitbreiden, uitslaan, verbreden, verhogen, verruimen - bestendiging, hervatting, vervolgblad, voortzetting - durée (fr) - naijleffect, wachttijd - longueur (fr)[Hyper.]

perpétuer (fr) - prolongeren, verlengen[Nominalisation]

langer doen duren, prolongeren, rekken, uitlopen, verlengen - bestendigen, consolideren, stabiliseren, vereeuwigen - aanblijven - doorgaan - doordrammen, doordrijven, doorreizen, doorzagen, hernemen - doorzetten - aanhouden, continueren, cultiveren, doorbijten, doordouwen, doordrammen, doordrijven, doorgaan, doorgaan met, doorlopen, doorzetten, houden, lopen, onderhouden, standhouden, verdergaan, verder gaan, volhouden, voortduren, voortgaan met, voortzetten, vorderen - aanblijven, blijven, overblijven - doorgaan - landurig, lang, langdradig, langdurig, langgerekt, proletariërs aller landen, verenigt U! - carry (en)[Dérivé]

ontvouwen, openvouwen, uiteenvouwen, uitklappen, uitvouwen[QuiPeutEtre]

langer worden, verlengen[Cause]

long (en)[Similaire]

prolonger, proroger (fr)[Domaine]

abbreviëren, afkorten, verkorten[Ant.]

uitlopen (v. intr.)







action ou fait d'user (fr)[Classe]

fragile (chose) (fr)[Classe]

gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - ontaarden, verergeren, verworden, verzieken - verarming, verslechtering - kapotmaken, moeren, mollen, reneweren, ru{#225}{#139}{#225}neren, ruïneren, stukmaken, verbouwen, verdelgen, vermassacreren, verminken, vernielen, vernietigen, verrinneweren, verruïneren, verwoest, verwoesten[Hyper.]

decadent - desintegratie, desorganisatie, ontbinding, ontbindingsproces - décomposition, pourriture (fr) - breken, rafelen, slijten, sneuvelen, uitlopen, uitslijten - begeven, bezwijken, breken, kapotgaan, sneuvelen, stukgaan, uit elkaar vallen - breken, doorbreken - afslaan, bezwijken, defect raken, falen, kapot gaan, kapot maken, stranden, stukgaan, uitfloepen, weigeren - afbreken - afbreken - break, break up (en) - breekbaarheid, fragiliteit, kwetsbaarheid - breekgeld - afknapper, desillusie, mislukking, ontgoocheling, ontnuchtering - buster (en) - breekbaar - breakableness (en)[Dérivé]

afbeulen, afdragen, afjakkeren, aflopen, afpeigeren, afslijten, afsloven, aftobben, inlopen, inslijten, slijten, uitslijten, vermoeien, verslijten - afdragen, aflopen, afslijten, opdragen, slijten, uitlopen, verslijten[Nominalisation]

afbreken, afknappen, barsten, bersten, in stukken vallen, kapotgaan, kapotvallen, kloven, overslaan, splijten, stukgaan, stukvallen[QuiPeut~]

fijn, teer[Analogie]

onbreekbaar - boeten, dokteren, in orde maken, maken, redresseren, repareren, vijlen[Ant.]

uitlopen (v. intr.)



Toutes les traductions de uitlopen

   Publicité ▼