Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
locutions
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
opkomen, punten, resulteren, schieten, slijten, spruiten, uitdraaien, uitgaan, uitkomen, uitmonden, uitschieten, uitspruiten
aanhebben, afdragen, afdraven, afgeven, aflopen, afremmen, afslijten, blijken, breken, doorlopen, dragen, draven, galopperen, hardlopen, hollen, komen na, langer doen duren, leiden, lekken, lopen, opdragen, op elkaar volgen, opkomen, opvolgen, prolongeren, rafelen, rekken, resulteren, schieten, slijten, snelheid minderen, sneuvelen, stromen, uitdraaien, uitgaan, uitkomen, uitmonden, uitpakken, uitschieten, uitslijten, uitstromen, uitvallen, uitvloeien, uitwaaieren, uitzwermen, vaart minderen, vallen, verlengen, verslijten, vertragen, vervloeien, vloeien, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien, vlieten (literary)
conséquence finale (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
afbouwen, afkomen, aflopen, eindigen, gedaan zijn, gereedkomen, klaarkomen, nokken, ophouden, stoppen, uitgaan, uitscheiden, vervallen, wegvallen - fenomeen, manifestatie, verschijnsel[Hyper.]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen - komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent[Dérivé]
finir (fr)[Hyper.]
uitlopen (v.)
devenir un être, apparaître (fr)[Classe]
augmenter de volume (fr)[Classe]
knop; bloemknop[ClasseHyper.]
devenir sensible, perceptible (fr)[Thème]
(groeien; tieren)[Thème]
(knop; bloemknop)[Thème]
faire qqch pour une plante (fr)[DomaineCollocation]
apparaître : devenir distinct, manifeste (fr)[Classe]
groeien; tieren[Classe]
(knop; bloemknop)[termes liés]
bloemknop, knop[GenV+comp]
uitlopen (v. intr.)
biology (en)[Domaine]
Growth (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - bladgroente, groen, groente, groenten, milieupartij, sinopel, vegetabiliën - partie de la plante (fr) - organe de plante (fr)[Hyper.]
delving, verwerving, winning - groei, groeiproces, loop, ontologie, ontwikkelingsgang, rijping, rijpingsproces, verloop, wasdom, wordingsleer, zijnsleer - schieten, uitkomen, uitlopen, uitschieten - opkomen, schieten, uitlopen, uitschieten - germinate (en)[Dérivé]
zich aanwennen[Domaine]
aangroeien, ontwikkelen, regenereren[Hyper.]
spruit - porte-greffe (fr) - bourgeon (fr) - ontkieming[Dérivé]
uitlopen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
halen, komen - confidentie, instroom, ontboezeming, overvloeiing, spui, verlaat, watersnood, watervloed, wolkbreuk[Hyper.]
ejaculatie, emissie, uitstraling, zaadlozing, zaaduitstorting - emanatie - uitlopen, uitmonden, uitstromen, uitvloeien, vallen[Dérivé]
earth (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
emaneren[Hyper.]
effusion (en)[Dérivé]
uitlopen (v. intr.)
survenir avant - après (fr)[ClasseOppos.]
conséquence finale (fr)[Classe]
important (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - afloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - fenomeen, manifestatie, verschijnsel - graad, level, niveau, peil, plan[Hyper.]
komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen[Dérivé]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
erop volgend[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
blijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen[Hyper.]
rendement, resultaat, uitkomst, uitslag - effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - eindpunt - consequent, konsekwent[Dérivé]
uitlopen (v. intr.)
kleren aantrekken; kleren aandoen; zich kleden; zich aankleden; (zich) aankleden[ClasseHyper.]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
fashion (en)[Domaine]
Clothing (en)[Domaine]
consumptie-artikelen, consumptiegoederen, verbruiksgoederen - bedekking, bekleding, bekleedsel, kleed - gebruiker, verbruiker - gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Hyper.]
dragen - aankleden, kleden - vesture (en) - aandoen, aantrekken, omdoen, omhangen, omslaan, opzetten, voorbinden, voordoen, zich - aankleden, bekleden, kleden - aanhebben, dragen, uitlopen - vestimentaire (fr) - duren, uithouden - dressing, grooming (en) - kleding, kleren - actor's assistant, dresser (en)[Dérivé]
immettable (fr) - ontkleden, ontmantelen, uitkleden, uittrekken, zich uitkleden[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
wears (en)[Domaine]
beddegoed, beddengoed, gebruik, goed, kledij, kleding, slijtage, tenue, uitrusting - drager - toonbaar[Dérivé]
aankleden, kleden, kleren aandoen, kleren aantrekken, zich aankleden, zich kleden[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
devenir en mauvais état (fr)[Classe]
action ou fait d'user (fr)[Classe]
usure (fr)[Thème]
verkrotten, vervallen[Hyper.]
verarming, verslechtering - verarming, verslechtering - breken, rafelen, slijten, sneuvelen, uitlopen, uitslijten[Dérivé]
afbeulen, afdragen, afjakkeren, aflopen, afpeigeren, afslijten, afsloven, aftobben, inlopen, inslijten, slijten, uitslijten, vermoeien, verslijten - afdragen, aflopen, afslijten, opdragen, slijten, uitlopen, verslijten[Nominalisation]
s'user (fr)[Classe]
uitlopen (v. intr.)
ralentissement (fr)[Classe]
réduire la vitesse (fr)[Thème]
(snelheid; gang; gangetje; tempo; vaart; vaartje; rijsnelheid; vaarsnelheid; vlugheid)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
Decreasing (en)[Domaine]
Accelerating (en)[Domaine]
changer de taille (fr) - oponthoud, opschorting, prorogatie, respijt, temporisatie, uitstel, verlet, verschuiving, verwijl - underdevelopment (en) - afwisseling, alteratie, alternantie, alternatie, alternering, keer, variatie, variëteit, wending, wijziging - doorzetten, verdiepen, verhevigen[Hyper.]
afname, afneming, afslag, daling, discount, inkrimping, korting, mindering, rabat, reductie, reductionisme, remissie, simplificatie, vereenvoudiging, verkleining, verlaging, vermindering - afname - herfst, najaar - terugloop - eindfase, slotfase, verkleining - diminution, réduction (fr) - retarderen, vertragen - afremmen, snelheid minderen, uitlopen, vaart minderen, vertragen - vertragen - afremmen - achterblijven, achterliggen, achterstaan, beuzelen, onderdoen, ten achter raken, terugzakken, verbleken - retard (en) - het te snel rijden, speed - acceleratie, acceleratievermogen, versnelling - gang, gangetje, rijsnelheid, snelheid, tempo, vaarsnelheid, vaart, vaartje - vélocité (fr) - versnellend[Dérivé]
verlangzamen - décélérer (fr)[Nominalisation]
aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser (fr) - afstuiven, doorsnellen, doorvliegen, ijlen, jakkeren, koersen, racen, razen, reppen, snellen, spoeden, stormen, storten, stuiven, vliegen, voorbijflitsen, voorbij flitsen, zoeven[Analogie]
groeien, meerderen, oplopen, stijgen, toenemen, verhogen, vermeerderen - acceleratie, acceleratievermogen, versnelling[Ant.]
devenir plus lent (fr)[Classe]
achteruitlopen, afnemen, minderen, slabakken, teruglopen, teruglopend, verminderen[Hyper.]
productievermindering, produktievermindering, vertraging - vaartvermindering[Dérivé]
versnellen[Ant.]
uitlopen (v. intr.)
biology (en)[Domaine]
Growth (en)[Domaine]
ontplooien, ontwikkelen, rijpen - structure anatomique, structure du corps (fr) - bladgroente, groen, groente, groenten, milieupartij, sinopel, vegetabiliën - organe de plante (fr) - spruit - reproduction asexuée (fr)[Hyper.]
groei, groeiproces, loop, ontologie, ontwikkelingsgang, rijping, rijpingsproces, verloop, wasdom, wordingsleer, zijnsleer - opkomen, schieten, uitlopen, uitschieten - schieten, uitkomen, uitlopen, uitschieten - germinate (en) - germinatie - ontkieming[Dérivé]
opgroeien[Domaine]
groeien, wassen[Hyper.]
germ (en) - spruit - bourgeon (fr) - afzetsel, loot, lot, scheut, schoot, telg, uitloper, uitspruitsel - ontkieming - knopvorming[Dérivé]
germinate (en)[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
partir, quitter un lieu (fr)[Classe]
stroompje; beek; kreek; rivierarm[Classe]
lieu, endroit, construction de petite taille (fr)[ClasseParExt.]
snelheid; gang; gangetje; tempo; vaart; vaartje; rijsnelheid; vaarsnelheid[Classe]
(afwatering; afvoer)[Thème]
(bloed)[Thème]
(neus; gok; stoomfluit; tuit)[Thème]
mucosité (fr)[Thème]
(fluïdum; fluaadum)[termes liés]
liquide (sujet) (fr)[DomaineCollocation]
chose fluide (fr)[DomaineCollocation]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
LiquidMotion (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
orientation (en)[Domaine]
metrology (en)[Domaine]
TimeDependentQuantity (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - changement de lieu, déplacement (fr) - stroom - hoek, kant, richting, weg, zijde - beek, laak, lee, rivier, vloed, watering, waterloop, wetering - tempo[Hyper.]
beweging, mechaniek - lopen, stromen, vloeien - lekken, lopen, stromen, uitlopen, uitmonden, uitstromen, uitvloeien, vallen, vervloeien, vlieten, vloeien - flow (en) - stromen - flow (en) - débiter, verser (fr) - waterig, zacht - afsnijden, ruimen, wenden[Dérivé]
hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
couler (se déplacer, pour un liquide) (fr)[Classe]
(bloed)[termes liés]
(neus; gok; stoomfluit; tuit)[termes liés]
mucosité (fr)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
LiquidMotion (en)[Domaine]
bouger, changer de position (fr)[Hyper.]
beek, stroming, stroom - circulation (fr) - discharge, outpouring, run (en) - koers - ruisselet (fr) - stroomsnelheid[Dérivé]
uitlopen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
instance (en)[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
verbes ayant pour COD un événement (fr)[Classe...]
longue durée (fr)[Classe]
kontinuïteit; continuïteit; voortzetting; voortduring; voortgang[Classe]
action de jeu dans un sport de ballon (fr)[ClasseParExt.]
prolongatie; verlenging; bestendiging[ClasseHyper.]
(welluidendheid; harmonie), (cadans; kadans; slotcadans; slotcadens; deuntje)[termes liés]
((doen) toenemen; groter maken; uitbouwen; vergroten; uitvergroten; groter weergeven), (vergrotingsapparaat)[termes liés]
uitbreiden, uitslaan, verbreden, verhogen, verruimen - bestendiging, hervatting, vervolgblad, voortzetting - durée (fr) - naijleffect, wachttijd - longueur (fr)[Hyper.]
perpétuer (fr) - prolongeren, verlengen[Nominalisation]
langer doen duren, prolongeren, rekken, uitlopen, verlengen - bestendigen, consolideren, stabiliseren, vereeuwigen - aanblijven - doorgaan - doordrammen, doordrijven, doorreizen, doorzagen, hernemen - doorzetten - aanhouden, continueren, cultiveren, doorbijten, doordouwen, doordrammen, doordrijven, doorgaan, doorgaan met, doorlopen, doorzetten, houden, lopen, onderhouden, standhouden, verdergaan, verder gaan, volhouden, voortduren, voortgaan met, voortzetten, vorderen - aanblijven, blijven, overblijven - doorgaan - landurig, lang, langdradig, langdurig, langgerekt, proletariërs aller landen, verenigt U! - carry (en)[Dérivé]
ontvouwen, openvouwen, uiteenvouwen, uitklappen, uitvouwen[QuiPeutEtre]
langer worden, verlengen[Cause]
long (en)[Similaire]
prolonger, proroger (fr)[Domaine]
uitleggen, verlengen[Hyper.]
bestendiging, prolongatie, verlenging - poursuite (fr) - longueur (fr) - rekbaar[Dérivé]
dragen[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
uitrekken; verwijden; verruimen; (zich) verbreden[ClasseHyper.]
extrémité (fr)[Caract.]
groeien, meerderen, oplopen, stijgen, toenemen, verhogen, vermeerderen - gedaante[Hyper.]
breed, wijd[Devenir+Attrib.]
verwijding - uitlopen, uitwaaieren, uitzwermen[Dérivé]
verengen[Ant.]
rekken, uitrekken, verruimen, verwijden[Hyper.]
flair, flare (en)[Dérivé]
uitlopen (v. intr.)
quitter durablement un lieu (fr)[Classe]
afscheid, breukvlak, vaarwel - doorzetter, voetganger[Dérivé]
ontsnappen, uitgaan, uitvoegen - achterlaten, verlaten, weggaan[Domaine]
aanbelanden, aankomen, aanlanden, arriveren, belanden, halen, opdagen, staan, terechtkomen, vallen[Ant.]
uitlopen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
Running (en)[Domaine]
sport (en)[Domaine]
Sport (en)[Domaine]
aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser (fr) - match de football (fr) - afleiding, dolce far niente, ontspanning, recreatie, rekreatie, relaxatie, verpozing, verstrooiing, vrijetijdsbesteding[Hyper.]
draven, galopperen, hardlopen, het hardlopen, hollen, rennen - wedloop - hardloper, loper - uitlopen - run (en) - aftasten, dartelen, fouiller, fouilleren, keten, ronddartelen, stoeien, voorbijflitsen, voorbijschieten - acrobatisch[Dérivé]
rennen - football américain (fr)[Domaine]
draven, galopperen, hardlopen, hollen, uitlopen[Hyper.]
run (fr)[Dérivé]
atletiek, sportbeoefening[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
(periodiek), (herhalend), (opnieuw doen)[Caract.]
smeren, spreiden, uitsmeren, uitspreiden, uitstrijken, uitwrijven, verdelen, verspreiden, verstrijken, voortwoekeren, wrijven - oplossen, resolveren[Hyper.]
distributie, spreiding, verbreiding, verspreiding - het verspreiden - verspreiding - distributie, reikwijdte, verbreiding, verspreiding - dooi, dooiweer, smelten - disintegrable, meltable (en)[Dérivé]
gieten, smelten[A Nouveau]
afgeven, doorlopen, uitlopen[Domaine]
dooien, ontdooien, smelten[Cause]
oplossen, rondstrooien, verspreiden[Hyper.]
omsmelten, smelten[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - motoriek, voortbewegen, voortbeweging - kamp, match, ontmoeting, sportwedstrijd, treffen, wedkamp, wedstrijd, wedvlucht - reiziger - traverser (fr)[Hyper.]
het te snel rijden, speed - drukte, gehaast, gejakker, haast, spoed - gang, gangetje, rijsnelheid, snelheid, tempo, vaarsnelheid, vaart, vaartje - vélocité (fr) - rennen - draven, galopperen, hardlopen, hollen, uitlopen - run (en) - courir (fr) - gaan, koersen, lopen, racen, rennen - draven, galopperen, hardlopen, het hardlopen, hollen, rennen - wedloop[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
Running (en)[Domaine]
aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser (fr)[Hyper.]
draven, galopperen, hardlopen, het hardlopen, hollen, rennen - wedloop - hardloper, loper[Dérivé]
rennen[Domaine]
uitlopen (v. intr.)
action ou fait d'user (fr)[Classe]
fragile (chose) (fr)[Classe]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - ontaarden, verergeren, verworden, verzieken - verarming, verslechtering - kapotmaken, moeren, mollen, reneweren, ru{#225}{#139}{#225}neren, ruïneren, stukmaken, verbouwen, verdelgen, vermassacreren, verminken, vernielen, vernietigen, verrinneweren, verruïneren, verwoest, verwoesten[Hyper.]
decadent - desintegratie, desorganisatie, ontbinding, ontbindingsproces - décomposition, pourriture (fr) - breken, rafelen, slijten, sneuvelen, uitlopen, uitslijten - begeven, bezwijken, breken, kapotgaan, sneuvelen, stukgaan, uit elkaar vallen - breken, doorbreken - afslaan, bezwijken, defect raken, falen, kapot gaan, kapot maken, stranden, stukgaan, uitfloepen, weigeren - afbreken - afbreken - break, break up (en) - breekbaarheid, fragiliteit, kwetsbaarheid - breekgeld - afknapper, desillusie, mislukking, ontgoocheling, ontnuchtering - buster (en) - breekbaar - breakableness (en)[Dérivé]
afbeulen, afdragen, afjakkeren, aflopen, afpeigeren, afslijten, afsloven, aftobben, inlopen, inslijten, slijten, uitslijten, vermoeien, verslijten - afdragen, aflopen, afslijten, opdragen, slijten, uitlopen, verslijten[Nominalisation]
fijn, teer[Analogie]
onbreekbaar - boeten, dokteren, in orde maken, maken, redresseren, repareren, vijlen[Ant.]
uitlopen (v. intr.)
marche ou petite course hygiénique (fr)[Classe]
loper; loopster; hardloper; hardloopster[Classe]
factotum (en)[Domaine]
Running (en)[Domaine]
sport (en)[Domaine]
RecreationOrExercise (en)[Domaine]
aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser (fr) - motoriek, voortbewegen, voortbeweging - cardiopulmonary exercise (en) - koerspaard, racepaard, renpaard - voet[Hyper.]
draven, galopperen, hardlopen, het hardlopen, hollen, rennen - wedloop - hardloper, loper - afdraven, draven, uitlopen - joggen, trimmen - met lange stappen lopen[Dérivé]
jogging[PersonneQuiFait]
krulstaart, varken, zwijn - flock, sheep (en)[Desc]
rennen[Domaine]
draven, galopperen, hardlopen, hollen, uitlopen[Hyper.]
draf, sukkelgangetje, trotskist - jogging - draver, klepper - varkenspoot - jogger, trimmer, trimster[Dérivé]
uitlopen (v. intr.)