Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
locutions
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
aflopen, beëindigen, blijken, briesen, brullen, bulderen, eindigen, fulmineren, kijven, komen na, leiden, loeien, op elkaar volgen, openmaken, opspelen, opvolgen, razen, resulteren, schateren, schaterlachen, schelden, tieren, uitdraaien, uithalen, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitschieten, uitvallen, uitvaren, uitvliegen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien, vuilbekken, zijn koffers uitpakken
survenir avant - après (fr)[ClasseOppos.]
conséquence finale (fr)[Classe]
important (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - afloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - fenomeen, manifestatie, verschijnsel - graad, level, niveau, peil, plan[Hyper.]
komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen[Dérivé]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
erop volgend[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
blijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen[Hyper.]
rendement, resultaat, uitkomst, uitslag - effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - eindpunt - consequent, konsekwent[Dérivé]
uitpakken (v.)
cri des bovins (fr)[Classe]
een toespraak houden, kletsen, praten, reppen, spreken - geluid, geruis, ruis - communicator[Hyper.]
geroep, gil, protest, roep, schreeuw, yell - schreeuwer - brullen - gillen, roepen, schreeuwen, toeteren, uitjubelen - hollo (en) - krollen - schreeuwen - briesen, brullen, bulderen, fulmineren, loeien, opspelen, razen, schateren, schaterlachen, tieren, uithalen, uitpakken, uitschieten, uitvallen, uitvaren, uitvliegen - bejammeren, jammeren, janken, kermen - brullen - brullen, schreeuwen - beren, briesen, brullen - donderen, loeien, razen - donderen, dreunen - foncer bruyamment (fr) - bulderen - bulderen - oorverdovend - roepen, schreeuwen - gillen - schreeuwen - gillen, krijsen, schreeuwen[Dérivé]
bulken, loeien[Nominalisation]
fluisteren, inblazen, influisteren, lispelen, ruisen, toefluisteren[Ant.]
roepen, schreeuwen[Hyper.]
gebrul, geloei - gedonder, geraas, gerommel, kabaal - schreeuwer[Dérivé]
uitpakken (v.)
factotum (en)[Domaine]
instance (en)[Domaine]
uitpakken (v.)
mededelen; meedelen[Classe]
beschuldiging; aanklacht[Classe]
afkeuring; misprijzen; reprobatie[Classe]
(zedenpreker; zedenprediker; Pred.; Prediker; verkondiger), (verwijt), (onberispelijk)[Thème]
factotum (en)[Domaine]
Expressing (en)[Domaine]
aanmerken, bekritiseren, beoordelen, kritiek hewbben op, kritiseren[Hyper.]
beschuldiging, denunciatie - fulmineren, kijven, opspelen, schelden, uithalen, uitpakken, uitschieten, uitvallen, uitvaren, uitvliegen, vuilbekken[Dérivé]
reprocher (fr)[Classe]
openlijk beschuldigen, wraken[Hyper.]
diatribe[Dérivé]
uitpakken (v.)
factotum (en)[Domaine]
Removing (en)[Domaine]
Putting (en)[Domaine]
omhullen[Hyper.]
opname, terugtrekking - eliminatie, verhuizing, verwijdering - afbijtmiddel, bijtmiddel, remover - emballage, het inpakken, verpakking - paquet (fr) - bundel, doos, keuzepakket, package, pak, pakje, pakket, programmapakket, standaardpakket, vakkenpakket - inpakker, pakker, verpakker[Dérivé]
uitpakken[Ant.]
afhalen, losmaken, nemen, ontdoen, verwijderen, wegdoen, weghalen, wegnemen[Hyper.]
inpakken, laden, pakken[Ant.]
uitpakken (v.)
verbe avec sujet = événements (fr)[Classe...]
verbe avec sujet = le temps (qui passe) (fr)[ClasseParExt.]
(voleindiging; voleinding; slot; afloop; eind; einde; beëindiging)[Thème]
se terminer, se finir (fr)[Classe]
uitpakken (v. intr.)
winnen; delven; blootleggen; steenhouwen; steken; uitgraven[Classe]
mettre à l'extérieur de (fr)[Classe...]
(emballage; verpakking; couverture; cover; kaft; omslag; pakmateriaal; verpakkingsmateriaal)[Thème]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
openmaken, uitpakken - afbinden, losbinden, losknopen, ontstrikken - losmaken - losmaken - ontgrendelen, ontsluiten, ontvouwen, opendoen, open doen, openen, openmaken, openvouwen, openzetten, uitvouwen - adresband, duster, kamerjas, negligé, négligé, niemendalletje, wikkel - schildpadverband, verpakkingsmateriaal, zwachtel - adresband, omslagdoek, plaid, reisdeken, wikkel - couverture, cover, emballage, kaft, omslag, pakmateriaal, verpakking, verpakkingsmateriaal[Dérivé]
uitpakken (v. tr.)