Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
locutions
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
≠ meedelen
abandonneren, afvallen, blijken, briesen, brullen, bulderen, denderen, fulmineren, inkwakken, kijven, komen na, leiden, loeien, loslaten, op elkaar volgen, opgeven, opspelen, opvolgen, prijsgeven, razen, resulteren, ruien, schateren, schaterlachen, schelden, terzijde geschoven worden, tieren, uitdraaien, uithalen, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitschieten, uitval, uitvaren, uitverdedigen, uitvliegen, vallen, verharen, verlaten, vervallen, vervellen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien, vuilbekken, wegvallen, counteren (sport), tot de tegenaanval overgaan (sport)
slag; knal; klap; geduw; gedrang[Classe]
factotum (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - aandrijving, stuwing, stuwkracht - gooi, worp - beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - gebaar - fleer, haal, klap, muilpeer, opflikker, percussie, por, slag, stoot, treffer - mover (en) - indringer, indringster, insluiper, overtreder[Hyper.]
beweging, mechaniek - achteruitschuiven, afstoten, terugdrijven, terugdringen, terugduwen, vervreemden - denderen, inkwakken, uitvallen - gooien, inkwakken, smijten, werpen - gooien, werpen, worp - schuiven op, slingeren - delven, neerstoten, porren, priemen, prikken, steken, stompen - poke (en) - jab (en) - lancer (fr) - neerstoten, priemen, prikken, steken - doodsteken, doorsteken, neersteken, overhoopsteken, snijden, steken, toesteken - opensteken[Dérivé]
hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
bouger, changer de position (fr)[Hyper.]
drang, por, stoot - ruk, sprong - longe, uitval - coup de pointe (fr) - dolksteek, dolkstoot, messteek, steek - lunger (en) - stuurraket[Dérivé]
uitvallen (v.)
échouer (ne pas réussir) (fr)[Classe]
accepter la fin d'un conflit armé (fr)[ClasseParExt.]
se rendre à un ennemi (fr)[Thème]
participer, être impliqué dans un conflit armé (fr)[DomainRegistre]
se rendre à un ennemi (fr)[Classe]
uitvallen (v. intr.)
[sport]
faire cesser qqch (fr)[Classe]
verbes ayant pour COD un événement (fr)[Classe...]
(interruptie; het staken)[Thème]
(motor), (motorrijtuig; motorvoertuig)[Thème]
opération de conduite d'un véhicule (fr)[DomaineCollocation]
interrompre le développement de qqch, arrêter qqch (fr)[Classe]
cesser de se déplacer, s'arrêter (fr)[Classe]
(motor), (motorrijtuig; motorvoertuig)[termes liés]
effectuer une manœuvre d'une voiture (fr)[DomaineCollocation]
uitvallen (v. intr.)
[vaktechnisch]
uitvallen (v. intr.)
ne pas V (fr)[Classe...]
(geen doorgang vinden; niet doorgaan; niet plaatsvinden)[Thème]
(afbestelling; afgelasting; afzegging; opzegging; annulering)[Thème]
geen doorgang vinden; niet doorgaan; niet plaatsvinden[Classe]
(afbestelling; afgelasting; afzegging; opzegging; annulering)[termes liés]
uitvallen (v. intr.)
cri des bovins (fr)[Classe]
een toespraak houden, kletsen, praten, reppen, spreken - geluid, geruis, ruis - communicator[Hyper.]
geroep, gil, protest, roep, schreeuw, yell - schreeuwer - brullen - gillen, roepen, schreeuwen, toeteren, uitjubelen - hollo (en) - krollen - schreeuwen - briesen, brullen, bulderen, fulmineren, loeien, opspelen, razen, schateren, schaterlachen, tieren, uithalen, uitpakken, uitschieten, uitvallen, uitvaren, uitvliegen - bejammeren, jammeren, janken, kermen - brullen - brullen, schreeuwen - beren, briesen, brullen - donderen, loeien, razen - donderen, dreunen - foncer bruyamment (fr) - bulderen - bulderen - oorverdovend - roepen, schreeuwen - gillen - schreeuwen - gillen, krijsen, schreeuwen[Dérivé]
bulken, loeien[Nominalisation]
fluisteren, inblazen, influisteren, lispelen, ruisen, toefluisteren[Ant.]
roepen, schreeuwen[Hyper.]
gebrul, geloei - gedonder, geraas, gerommel, kabaal - schreeuwer[Dérivé]
uitvallen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
SocialInteraction (en)[Domaine]
abandonneren, loslaten, opgeven, prijsgeven, terzijde geschoven worden, uitval, uitvallen, verlaten - compliciteit, deelname, deelneming, engagement, inspraak, medeplichtigheid, medezeggenschap, participatie, verloving - deelnemer, inzender, inzending - deelgenoot, deelhebber, deelnemer, participant - betrokkenheid - deelnemend[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
uitvallen (v. intr.)
survenir avant - après (fr)[ClasseOppos.]
conséquence finale (fr)[Classe]
important (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - afloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - fenomeen, manifestatie, verschijnsel - graad, level, niveau, peil, plan[Hyper.]
komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen[Dérivé]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
erop volgend[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
blijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen[Hyper.]
rendement, resultaat, uitkomst, uitslag - effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - eindpunt - consequent, konsekwent[Dérivé]
uitvallen (v. intr.)
réagir par une action contraire (fr)[Classe]
réaction dans un conflit, suite à une agression (fr)[Thème]
bestrijden, bevechten, kampen, knokken, matten, strijden, tegengaan, vechten[Hyper.]
aanranden, attaque - aanrander, aanvaller, agressor, zedendelinquent - onverdedigd - counteren, tot de tegenaanval overgaan, uitvallen, uitverdedigen[Dérivé]
aanvallen[Domaine]
uitvallen (v. intr.)
mededelen; meedelen[Classe]
beschuldiging; aanklacht[Classe]
afkeuring; misprijzen; reprobatie[Classe]
(zedenpreker; zedenprediker; Pred.; Prediker; verkondiger), (verwijt), (onberispelijk)[Thème]
factotum (en)[Domaine]
Expressing (en)[Domaine]
aanmerken, bekritiseren, beoordelen, kritiek hewbben op, kritiseren[Hyper.]
beschuldiging, denunciatie - fulmineren, kijven, opspelen, schelden, uithalen, uitpakken, uitschieten, uitvallen, uitvaren, uitvliegen, vuilbekken[Dérivé]
reprocher (fr)[Classe]
openlijk beschuldigen, wraken[Hyper.]
diatribe[Dérivé]
uitvallen (v. intr.)
perdre quelque chose qui est en soi (fr)[Classe]
devenir autre (fr)[Classe...]
beharing; haardos; hoofdhaar; kuif; pruik; plantehaar; plantenhaar; een haar[Classe]
stade du développement des insectes (fr)[Classe]
mue d'animaux (transformation) (fr)[Classe]
(in de rui zijn; vervellen; ruien)[Thème]
(vogel; vogeltje)[termes liés]
(haantje; mannetje)[termes liés]
zoology (en)[Domaine]
OrganismProcess (en)[Domaine]
Removing (en)[Domaine]
afhalen, losmaken, nemen, ontdoen, verwijderen, wegdoen, weghalen, wegnemen - beest, bruut, creatuur, dier, dierlijk, gedierte, schepsel - bedekking, begroeiing, dekblad, deksel, huis, hulsel, kas, omhulsel, omkleding, omkleedsel - vervelling - processus biologique, processus organique (fr)[Hyper.]
ruien, uitval, uitvallen, verharen, vervellen[Dérivé]
in de rui zijn, ruien, vervellen[Nominalisation]
in de rui zijn; vervellen; ruien[Classe]
afdanken, afwerpen[Hyper.]
molter, moulter (en) - slough (en) - ecdysis, rui, ruitijd, vervelling - chute, perte (fr)[Dérivé]
uitvallen (v. intr.)
administration (en)[Domaine]
LeavingAnOrganization (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - lafaard - terugtrekken, uittreden[Hyper.]
afvallen, uitval, uitvallen[Dérivé]
uitvallen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
instance (en)[Domaine]
uitvallen (v. intr.)