Publicité ▼
Dernières recherches dans le dictionnaire :
calculé en 1.782s
Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
locutions
réseau sémantique
mots-croisés
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
↗ dodensprong, salto mortale, smak, tuimeling, valpartij ≠ afnokken, aftaaien, begeven, gaan, heengaan, klimmen, moven, nokken, omhooggaan, omhoogkomen, opbreken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, opgaan, ophoepelen, opkomen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, opstappen, optrekken, opvaren, stijgen, vertrekken, verwijderen, weggaan, wegwezen
blijven, duikelen, flikkeren, glibberen, glippen, instorten, inzakken, kelderen, kieperen, kukelen, lazeren, neerkomen, neerploffen, omvallen, ploffen, plonzen, ressorteren, schuiven, smakken, sneuvelen, sterven, storten, struikelen, terechtkomen, tuimelen, uitglijden, uitvallen, zakken, zijgen
aanbelanden, aankomen, aanlanden, aanspreken, aanstaan, achteruitwijken, afbouwen, afdalen, afgaan, arriveren, behagen, behoren, belanden, believen, beminnen, bevallen, bezwijken, binnendringen, blijken, bliksemen, buitelen, capituleren, cederen, dalen, donderen, donderjagen, donderstenen, donderstralen, du(i)veljagen, duikelen, duvelen, duveljagen, dwarszitten, eindigen met, ergeren, etteren, flikkeren, gaan, gallen, geraken, goeddunken, halen, hangen, horen, houden van, invallen, irriteren, kaarten, kaartspelen, kletteren, klieren, klooien, kloothannesen, kloten, komen, komen na, kukelen, lastig vallen, lazeren, lazerstralen, leiden, lekken, liefhebben, liggen, lijken, lopen, meegeven, mieteren, mogen, mogen vragen, neerkletteren, neerkomen, neerslaan, neerstorten, neervallen, ondergaan, opdagen, op elkaar volgen, opspelen, opvolgen, overgeven, plagen, platgaan, ploffen, raken, ressorteren, resulteren, rotzooien, sneuvelen, sodemieteren, spelen, staan, storen, stoten, stromen, terechtkomen, toebehoren, toehoren, treden, tuimelen, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitspelen, uitstromen, uitvallen, uitvloeien, vervelen, vervloeien, vloeien, voelen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien, wijken, zakken, zich onderwerpen, zijn, zinnen, zwichten, zwichten voor, vlieten (literary)
doen vallen • in de rede vallen • in duigen vallen • in het slot vallen • in het water vallen • in ongenade vallen • in onmacht vallen • in slaap doen vallen • in slaap vallen • in stukken vallen • in zwijm vallen • lastig vallen • laten vallen • moeilijk vallen • niet in de smaak vallen bij • te beurt vallen • te pletter vallen • ten deel vallen • uit de toon vallen • uit elkaar vallen • vallen onder • zwaar vallen
factotum (en)[Domaine]
Decreasing (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - gravitation (en) - changement de lieu, déplacement (fr) - bewegen, verplaatsen, verroeren[Hyper.]
afdaling - baisse (fr) - afstammend - faire de la chute libre, tomber en chute libre (fr) - vallen - laten vallen - fall, fall down (en) - afgrond - daling, duikeling, instorting, val[Dérivé]
afdonderen, afduvelen, afkukelen, afmieteren, afvallen, neervallen, onderuitgaan[Domaine]
klimmen, omhooggaan, omhoogkomen, opgaan, opkomen, opstijgen, optrekken, opvaren, stijgen - ascend, go up (en)[Ant.]
daling, duikeling, instorting, val[Dérivé]
laten vallen[Domaine]
vallen (v.)
tomber (fr)[Classe]
draaien, omgaan - pigeon domestique (fr) - ballast, barrière, beletsel, hindernis, hinderpaal, obstakel, sta-in-de-weg, verstopping[Hyper.]
buitelen, duikelen, tuimelen, vallen[Dérivé]
slot[Desc]
neerstorten; neervallen[Classe]
omrollen, rollen[Hyper.]
pletter, schrijfrol, tuimelschakelaar, walser - droger, droogautomaat, droogtrommel, trommeldroger, wasdroger[Dérivé]
vallen (v.)
quitter durablement un lieu (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
transport (en)[Domaine]
Arriving (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
actie, aktie, handeling, rechtshandeling, verrichting - aankomst - reiziger - halen[Hyper.]
aanbelanden, aankomen, aanlanden, arriveren, belanden, halen, opdagen, staan, terechtkomen, vallen - afscheid, breukvlak, vaarwel - doorzetter, voetganger[Dérivé]
ontsnappen, uitgaan, uitvoegen - achterlaten, verlaten, weggaan[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Arriving (en)[Domaine]
aankomst, komst, overkomst - avènement (fr) - bezoeker, -komer[Dérivé]
krijgen, pakken[Domaine]
vallen (v.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Hyper.]
zijpad - kentering, ommekeer, ommezwaai, omslag, revolutie, wending[Dérivé]
verkleuren, worden - draaien, omgaan, worden[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
overgaan[Hyper.]
vallen (v.)
cesser d'être, d'exister (fr)[Classe]
perdre tel caractère, telle propriété (fr)[Classe...]
vallen (v. intr.)
tomber (neige, pluie...) (fr)[Classe]
tomber (fr)[Classe]
een ongeval hebben; een ongeluk hebben[Classe]
smak; valpartij; tuimeling; dodensprong; salto mortale[ClasseHyper.]
chute (d'une personne) (fr)[Classe]
(regen)[Thème]
douleur et souffrance (fr)[DomaineCollocation]
trip, uitglijding[Hyper.]
acrobatie vertonen, tuimelen - faire de la chute libre, tomber en chute libre (fr) - afdonderen, afduvelen, afkukelen, afmieteren, afvallen, omvallen, struikelen, tuimelen - fall (en) - fall, fall down (en) - faire dégringoler, faire tomber, renverser (fr)[Dérivé]
tomber (pour l'eau de pluie) (fr)[ClasseParExt.]
neerstorten; neervallen[ClasseHyper.]
tomber, aller vers le bas (choses) (fr)[ClasseHyper.]
vallen (v. intr.)
luchtgesteldheid, weer, weersgesteldheid, weersomstandigheden, weersomstandigheid - liquéfier (fr) - bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen[Hyper.]
neerkomen, neerslaan, vallen - condens, condensaat, condensatie, kondens, kondensatie - condensation (en) - distillatie - dodensprong, salto mortale, smak, tuimeling, valpartij - daling, duikeling, instorting, val - faller (en)[Dérivé]
condense (en) - condense (en)[Domaine]
neerslag[Dérivé]
condenseren, dauwen, indikken, verdichten - faire de la chute libre, tomber en chute libre (fr)[Domaine]
vallen (v. intr.)
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Hyper.]
zijpad - kentering, ommekeer, ommezwaai, omslag, revolutie, wending[Dérivé]
verkleuren, worden - draaien, omgaan, worden[Domaine]
overgaan[Hyper.]
vallen (v. intr.)
infamie; schandelijke daad; schandaal; ongenade; schande[Classe]
fait de se rendre à l'ennemi (fr)[Classe]
renoncement à qqch, abandon d'un droit, d'un titre (fr)[Classe]
pact; pakt; tractaat; traktaat; verdrag; conventie; overeenkomst[Classe]
(belegering; beleg; insluiting; omsingeling; slijtageslag), (belegeren; belagen; bestoken; bestormen), (belegerd)[termes liés]
(besef; bewuste; bewustheid; bovenbewustzijn), (realisering; realizering; bewustmaking; bewustwording)[termes liés]
échec (fr)[termes liés]
derving, gemis, koersverlies, verlies - creperen, de pijp uitgaan, expireren, heengaan, het loodje leggen, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen, inslapen, insluimeren, kapotgaan, kreperen, om het leven komen, omkomen, ontslapen, overlijden, peigeren, teloorgaan, tenietgaan, uitsterven, verrekken, verscheiden, versmachten[Hyper.]
vérificateur à l'emballage (fr) - capituleren, overgeven, zich gewonnen geven, - capituleren - ondergaan, vallen - ondergaan, vallen - ondergaan, vallen[Dérivé]
capituler (fr)[Nominalisation]
onderwerpen[Hyper.]
vallen (v. intr.)
infamie; schandelijke daad; schandaal; ongenade; schande[Classe]
fait de se rendre à l'ennemi (fr)[Classe]
renoncement à qqch, abandon d'un droit, d'un titre (fr)[Classe]
pact; pakt; tractaat; traktaat; verdrag; conventie; overeenkomst[Classe]
(belegering; beleg; insluiting; omsingeling; slijtageslag), (belegeren; belagen; bestoken; bestormen), (belegerd)[termes liés]
(besef; bewuste; bewustheid; bovenbewustzijn), (realisering; realizering; bewustmaking; bewustwording)[termes liés]
échec (fr)[termes liés]
derving, gemis, koersverlies, verlies - affaiblissement (fr)[Hyper.]
deconfiture, echec, faling, fiasco, flop, fout, mislukking, sof, storing, wanprestatie, zeper - storing - abortus, abortus provocatus, het falen, misgeboorte, miskraam, monstrum, vruchtafdrijving, zwangerschapsafbreking, zwangerschapsonderbreking - kneus, kneusje, mislukkeling, mislukking, uitvaller - mislukking, storing - capituleren, overgeven, zich gewonnen geven, - capituleren - ondergaan, vallen - ondergaan, vallen - ondergaan, vallen[Dérivé]
capituler (fr)[Nominalisation]
aanslaan, een belofte nakomen, gaan, gelukken, inslaan, lukken, slagen, succes hebben - stijging[Ant.]
vallen (v. intr.)
survenir avant - après (fr)[ClasseOppos.]
conséquence finale (fr)[Classe]
important (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten - afloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - fenomeen, manifestatie, verschijnsel - graad, level, niveau, peil, plan[Hyper.]
komen na, leiden, op elkaar volgen, opvolgen, resulteren, uitdraaien, uitkomen, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen, volgen, volgen op, voortkomen, voortvloeien - achterlaten, nalaten - consequent, konsekwent - bewerkstelligen, teweegbrengen, veroorzaken - afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - aflopen, uitlopen[Dérivé]
het gevolg zijn van, resulteren uit, volgen uit, voortkomen uit[CeQui~]
erop volgend[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
result (en)[Domaine]
blijken, leiden, resulteren, uitdraaien, uitlopen, uitmonden, uitpakken, uitvallen, vallen[Hyper.]
rendement, resultaat, uitkomst, uitslag - effect, gevolg, kracht, naspel, nawerking, uitvloeisel, uitwerking, vervolg, voortvloeisel, werking, werkzaamheid - eindpunt - consequent, konsekwent[Dérivé]
vallen (v. intr.)
détester (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
desires (en)[Domaine]
aankijken, bekijken, beoordelen, berekenen, beschouwen, bezien, inschatten, oordelen, schatten, taxeren, zien - rubberstamp (en)[Hyper.]
goedkeuring - adhesie, instemming, sympathie - goedkeuring, zegel - goedkeurend, instemmend - afkeer, aversie, degôut, degoût, tegenzin, weerstand, weerzin[Dérivé]
afkeuren, desapproberen, desavoueren, diskwalificeren, gispen, laken, misprijzen - aanspreken, aanstaan, behagen, beminnen, bevallen, houden van, liefhebben, liggen, lijken, mogen, vallen, voelen, zinnen[Ant.]
goedkeuren, voelen[Domaine]
een afkeer hebben van, een hekel hebben aan, verafschuwen, verfoeien[Ant.]
vallen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
halen, komen - confidentie, instroom, ontboezeming, overvloeiing, spui, verlaat, watersnood, watervloed, wolkbreuk[Hyper.]
ejaculatie, emissie, uitstraling, zaadlozing, zaaduitstorting - emanatie - uitlopen, uitmonden, uitstromen, uitvloeien, vallen[Dérivé]
earth (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
emaneren[Hyper.]
effusion (en)[Dérivé]
vallen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
member (en)[Domaine]
vallen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
agent (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
afleggen, doen, gebeuren, teweegbrengen, verrichten, zitten - bea aindiging, beëindiging, besluit, determinatie, einde, eindiging, stopzetting, vaststelling, woordeinde[Hyper.]
actie, daad, handeling, verrichting - actie, aktie, handeling, rechtshandeling, verrichting - manoeuvre, zet - werkzaamheid - aanbelanden, aanlanden, afbouwen, belanden, eindigen met, terechtkomen, vallen - afbouwen, afkrijgen, afmaken, afronden, afwerken, bea aindigen, beëindigen, eindigen, finishen, gelukken, klaarkrijgen, klaarspelen, lukken, slagen, slagen in, voleinden, voleindigen, volledig maken, voltooien, volvoeren, voor elkaar krijgen - aftimmeren, opdweilen, verzetten - culmineren - besluiten - besluiten, concluderen[Dérivé]
abstineren, onthouden[Ant.]
doen, handelen, optreden, tussenkomen[Hyper.]
afronding, afwerking, completering, voleinding, voltooiing[Dérivé]
vallen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
bevinden, steken, uitmaken, verkeren, vormen, zitten[Hyper.]
gebeurde, gebeurtenis, geschiedenis, ontwikkeling, voorval - hap (en)[Dérivé]
invallen, vallen[Domaine]
fall (en)[Domaine]
vallen (v. intr.)
infamie; schandelijke daad; schandaal; ongenade; schande[Classe]
fait de se rendre à l'ennemi (fr)[Classe]
renoncement à qqch, abandon d'un droit, d'un titre (fr)[Classe]
pact; pakt; tractaat; traktaat; verdrag; conventie; overeenkomst[Classe]
(belegering; beleg; insluiting; omsingeling; slijtageslag), (belegeren; belagen; bestoken; bestormen), (belegerd)[termes liés]
(besef; bewuste; bewustheid; bovenbewustzijn), (realisering; realizering; bewustmaking; bewustwording)[termes liés]
échec (fr)[termes liés]
achterlaten, verlaten, weggaan - derving, gemis, koersverlies, verlies - affaiblissement (fr) - creperen, de pijp uitgaan, expireren, heengaan, het loodje leggen, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen, inslapen, insluimeren, kapotgaan, kreperen, om het leven komen, omkomen, ontslapen, overlijden, peigeren, teloorgaan, tenietgaan, uitsterven, verrekken, verscheiden, versmachten[Hyper.]
ontslag - ontslag, opgaaf, opgave - capituleren, overgeven, zich gewonnen geven, - capituleren - ondergaan, vallen - ondergaan, vallen - ondergaan, vallen[Dérivé]
capituler (fr)[Nominalisation]
take office (en) - stijging[Ant.]
aftreden, neerleggen, ontslag nemen, terugtreden[Hyper.]
capitulatie, kapitulatie, overgave - ondergang, teleurgang, teloorgang, val[Dérivé]
vallen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
instance (en)[Domaine]
vallen (v. intr.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
wants (en)[Domaine]
EmotionalState (en)[Domaine]
begeerte, wens - begeerte, verlangen, wens - betrachting, desideratum - needer, wanter (en) - begeerte, wens - graag willen - toewensen, wensen - wensen - gunnen - believen, goeddunken, mogen, vallen - graag willen, moeten, motten[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
desires (en)[Domaine]
graag willen, moeten, motten[Hyper.]
betrachting, desideratum[Dérivé]
vallen (v. intr.)
scheef; schuin[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
transport (en)[Domaine]
Translocation (en)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen[Hyper.]
beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - motoriek, voortbewegen, voortbeweging - motoriek - beweging - changement de lieu, déplacement (fr) - reiziger - mover (en) - bewegings- - afdalen, afgaan, bliksemen, dalen, donderen, donderstralen, duvelen, flikkeren, kletteren, kukelen, lazeren, mieteren, neerkletteren, ploffen, sodemieteren, vallen, zakken - beklimming, bestijging, hemelvaart, opkomst, opstijging, verhoging - het optrekken - ascender (en) - ascendable, ascendible, climbable (en) - ascendant, ascendent, ascensive (en)[Dérivé]
bewegen, verplaatsen, verroeren[Domaine]
benedenwaarts, neergaand[Similaire]
tenir en place (fr) - beklimming, hemelvaart, stijging[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
Decreasing (en)[Domaine]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen[Hyper.]
afdaling - baisse (fr) - afstammend[Dérivé]
klimmen, omhooggaan, omhoogkomen, opgaan, opkomen, opstijgen, optrekken, opvaren, stijgen - penxati se, popeti se (sr)[Ant.]
vallen (v. intr.)
partir, quitter un lieu (fr)[Classe]
stroompje; beek; kreek; rivierarm[Classe]
lieu, endroit, construction de petite taille (fr)[ClasseParExt.]
snelheid; gang; gangetje; tempo; vaart; vaartje; rijsnelheid; vaarsnelheid[Classe]
(afwatering; afvoer)[Thème]
(bloed)[Thème]
(neus; gok; stoomfluit; tuit)[Thème]
mucosité (fr)[Thème]
(fluïdum; fluaadum)[termes liés]
liquide (sujet) (fr)[DomaineCollocation]
chose fluide (fr)[DomaineCollocation]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
LiquidMotion (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
orientation (en)[Domaine]
metrology (en)[Domaine]
TimeDependentQuantity (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - changement de lieu, déplacement (fr) - stroom - hoek, kant, richting, weg, zijde - beek, laak, lee, rivier, vloed, watering, waterloop, wetering - tempo[Hyper.]
beweging, mechaniek - lopen, stromen, vloeien - lekken, lopen, stromen, uitlopen, uitmonden, uitstromen, uitvloeien, vallen, vervloeien, vlieten, vloeien - flow (en) - stromen - flow (en) - débiter, verser (fr) - waterig, zacht - afsnijden, ruimen, wenden[Dérivé]
hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
couler (se déplacer, pour un liquide) (fr)[Classe]
(bloed)[termes liés]
(neus; gok; stoomfluit; tuit)[termes liés]
mucosité (fr)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
LiquidMotion (en)[Domaine]
bouger, changer de position (fr)[Hyper.]
beek, stroming, stroom - circulation (fr) - discharge, outpouring, run (en) - koers - ruisselet (fr) - stroomsnelheid[Dérivé]
vallen (v. intr.)
racine SUMO (fr)[Domaine]
betting (en)[Domaine]
FinancialTransaction (en)[Domaine]
positionner (fr) - afleiding, dolce far niente, ontspanning, recreatie, rekreatie, relaxatie, verpozing, verstrooiing, vrijetijdsbesteding - ondeugd - aanwenden, bedienen, behandelen, bezigen, doorvoeren, hanteren, implementeren, introduceren, invoeren, nemen, omgaan, overgaan, overschakelen, pakken, toepassen, uitoefenen, verwerken, wijden[Hyper.]
deployeren - gokken, verspelen - jouer, parier (fr) - gokken, inleggen, inzetten, spelen, wedden, wedden op, zetten - kaarten, kaartspelen, opspelen, spelen, uitkomen, uitspelen, vallen - gokken, inzetten, verwedden, wedden - jouer (fr) - plan, stratagème, stratégie (fr)[Dérivé]
meten, opmeten, opnemen, uitmeten[Domaine]
Game (en)[Domaine]
charteren, inschakelen, inspannen, inzetten[Hyper.]
het gokken, speelwijze[Dérivé]
jouer (fr) - hrát (cs)[Domaine]
vallen (v. intr.)
s'affilier (fr)[Classe]
être contenu dans qqch (fr)[Thème]
factotum (en)[Domaine]
instance (en)[Domaine]
vallen (v. intr.)
malice (fr)[Classe]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
SocialInteraction (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
psychology (en)[Domaine]
EmotionalState (en)[Domaine]
mishandeling, wegvak - euveldaad, misdaad, wandaad, wangedrag - agressie - stimulus négatif (fr) - chagrijn, sacherijn - ergernis - persona non grata - geestesgesteldheid, geestestoestand - aanvoelen, beleven, ervaren, gevoelen, gewaarworden, ondervinden, ontmoeten, voelen[Hyper.]
misnoegen - binnendringen, donderen, donderjagen, donderstenen, donderstralen, du(i)veljagen, duvelen, duveljagen, dwarszitten, ergeren, etteren, gallen, irriteren, klieren, klooien, kloothannesen, kloten, lastig vallen, lazerstralen, mogen vragen, plagen, rotzooien, sodemieteren, storen, stoten, vallen, vervelen - mischievous (en) - afgrijselijk - bekvechten, belagen, bestoken, ergeren, iemand ergeren, iemand lastig vallen, kwellen, lastigvallen, lastig vallen, moeilijkheden bezorgen, piekeren, plagen, storen, teisteren - ergeren, verergeren - de moeite nemen, moeite doen - afknijpen, bedroeven, blesseren, geselen, grieven, krenken, kwellen, kwetsen, martelen, pijn doen, pijnigen, plagen, steken, teisteren, tormenteren, verdriet doen, verdrieten - ergeren, moeite bezorgen, ongerief bezorgen - modérer (fr) - grieven, krenken, kwetsen, misdoen, misdrijven, steken - plagen - plagen - jennen, judassen, koeioneren, lastigvallen, lastig vallen, negeren, nijdassen, pesten, plagen[Dérivé]
een afkeer hebben van, een hekel hebben aan, verafschuwen, verfoeien[Cause]
aanspreken, aanstaan, liggen, lijken, plezieren, verblijden, vergenoegen, verheugen, zinnen[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalPsychologicalProcess (en)[Domaine]
ergeren, veronaangenamen, verzuren[Hyper.]
ergernis, irritatie - apenstreek, apestreek, baldadigheid, kattekwaad, kattenkwaad, kwajongensstreek, ondeugendheid, schelmenstreek - verergering - chagrijn, sacherijn - irritant, thorn (en) - driftbui, gepikeerdheid, kwade bui, piqué - plaaggeest - iritace (cs)[Dérivé]
chafe (en)[Domaine]
vallen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
Communication (en)[Domaine]
antwoorden, reageren, zich verzetten tegen - doen, doorlaten, dulden, laten, maken, nemen, toelaten, toestaan, tolereren - abandon, renonciation (fr)[Hyper.]
aanvaarding, acceptatie, adoptie, bijval, weerklank - consentement (fr) - acceptation (fr) - achteruitwijken, bezwijken, capituleren, cederen, meegeven, overgeven, platgaan, vallen, wijken, zich onderwerpen, zwichten, zwichten voor - capituleren, overgeven, zich gewonnen geven,[Dérivé]
afslaan, bedanken, ontzeggen, refuseren, verdommen, verdraaien, verrekken, vertikken, weigeren[Ant.]
instemmen, toestemmen[Hyper.]
capitulatie, opgaaf, opgave[Dérivé]
vallen (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
Classifying (en)[Domaine]
vallen (v. intr.)
Toutes les traductions de vallen
eBay |
Feuerzeug AAN - Vallen (0584) (1.0 EUR) Usage commercial de ce terme | Rik Ringers Buitenaardse wezens vallen aan (1.75 EUR) Usage commercial de ce terme |
Rik Ringers - nr 21 - Buitenaardse wezens vallen aan - (1.99 EUR) Usage commercial de ce terme | FRANS BAUER : op rode rozen vallen tranen (2.5 EUR) Usage commercial de ce terme |
CHRIS COHEN - OP RODE ROZEN VALLEN TRANEN (7") (2.99 EUR) Usage commercial de ce terme | DE BRES " VALLEN EN OPSTAAN " 1992 (3.0 EUR) Usage commercial de ce terme |