Publicité ▲
|
Résumé des résultats
synonymes
réseau sémantique
mots-croisés
conjugaison
exemple
Ebay
catalogue
traductions
|
agricultuur, agrikultuur, akkerbouw, boeren, boerenbedrijf, landbouw, landbouwbedrijf, management, zegje
autoriteit, bevoegdheid, dominantie, gezag, machtiging, overheersing, overmacht, recht
ce qui agit sur qqch et produit un effet (fr)[Classe]
capacité à agir, à causer, à produire un effet (fr)[Classe]
kracht; vermogen; graad; macht; machtigheid; mogendheid[ClasseParExt.]
invloed[Classe]
gezag; autoriteit[Classe]
zeggenschap (n.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Guiding (en)[Domaine]
quality (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
kracht[Hyper.]
bestieren, besturen, bevelen, managen - ondergeschiktheid, onderschikking, onderwerping, submissie - autoriteit, bevoegdheid, dominantie, gezag, machtiging, overheersing, overmacht, recht, zeggenschap - baas, grootmeester, grootmeesteres, heer, heerser, landsheer, lord, meester, schaakmeester, soeverein, vorst - force majeure, hegemonie, meesterschap, oppermacht, overheersing, overmacht, suprematie - overheersend[Dérivé]
krachtig, machtig[Similaire]
macht[Hyper.]
bedwingen, beheersen, domineren, kleinkrijgen, onderwerpen - puissant (fr)[Dérivé]
zeggenschap (n.)
secteur primaire (fr)[Classe]
botanie; plantkunde; botanika; botanica; fytologie; plantenleer[Classe]
boer[Classe]
(veld; terrein), (aarde; aardbodem; grond; teelaarde)[Thème]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
agriculture (en)[Domaine]
Maintaining (en)[Domaine]
Agriculture (en)[Domaine]
Position (en)[Domaine]
fabricage, fabricatie, productie, produktie, vervaardiging[Hyper.]
bebouwen, cultiveren, ontginnen - kweken, planten, telen, verbouwen - boerderij, boerenbedrijf, boerenhoeve, boerenhofstede, boerenhofstee, hoeve, hofstede, hofstee - landbouwgewas, landbouwproduct, landbouwproducten, landbouwprodukt, landbouwprodukten, produkten, veldgewas - growth (en) - akkerbouwer, bouwboer, cultivator, groentekweker, kweekster, kweker, landbouwdeskundige, landbouwer, landbouwkundige, planter, plantster, roefel, teelster, teler - akkerbouwer, bouwboer - opgroeien - bebouwen, boeren, opgroeien - agricultuur, agro-industrie, akkerbouw, bio-industrie, landbouw, landbouwbedrijf, landbouwindustrie[Dérivé]
bewerken, cultiveren, kultiveren, kweken, telen, verbouwen[PersonneQui~]
landbouwbedrijf; boerenbedrijf; boeren; agrikultuur; akkerbouw; landbouw; agricultuur; zeggenschap; management[ClasseHyper.]
agronomie; landbouwkunde[Classe]
(veld; terrein), (aarde; aardbodem; grond; teelaarde)[termes liés]
agriculture (en)[Domaine]
Maintaining (en)[Domaine]
bebouwing, beschaving, bouw, cultuur, grondbewerking, kweek, teelt, teling, verbouw[Hyper.]
bebouwen, boeren, opgroeien - akkerbouwer, bouwboer, cultivator, groentekweker, kweekster, kweker, landbouwdeskundige, landbouwer, landbouwkundige, planter, plantster, roefel, teelster, teler[Dérivé]
zeggenschap (n.)
événement hasardeux (fr)[Classe]
affirmer (fr)[Classe]
être certain (personnes) (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute (en)[Domaine]
Stating (en)[Domaine]
mogelijkheid - uitdrukken, uiten, uiting - beweren, opkomen voor, verklaren, volhouden[Hyper.]
toevallig gebeuren, toevallig zijn van iets - op het juiste ogenblik komend - bekendmaking, dictum, kennisgeving, opgaaf, opgave, uitspraak - affirmatie, bevestiging, bewering, ja, verklaring - informatie - commentator, duimzuiger, vertellen, verteller, vertelster - zeggenschap, zegje - bewering[Dérivé]
zeggen - opzeggen, spreken, uitbrengen, vertellen, zeggen[Domaine]
[ à l'occasion de ] (fr)[Syntagme]
aanleiding, gelegenheid, kans, mogelijkheid, ruimte[Hyper.]
opzeggen, spreken, uitbrengen, vertellen, zeggen - comunica (ro) - beweren[Dérivé]
zeggenschap (n.)